Kleurrijke verbeelding.

Bekend van haar wulpse vrouwenbeelden, Nana’s, en haar vrolijk gekleurde fontein in Parijs bij het Centre de Pompidou, ontwerpt Niki de Saint Phalle een beeldentuin, ‘Giardino dei Tarocchi’, een van de meest betoverende plekjes in Toscane.

Gebaseerd op de ‘Grote Arcana’, de 22 occulte kaarten van het Tarotspel,  probeert De Saint Phalle haar levensvisie neer te zetten. De Tarot kaarten  symboliseren de levensweg die ieder mens hier op aarde aflegt.
Met de verwerkelijking van haar fantasietuin komt voor de beeldhouwster haar grote levenswens in vervulling.

Het park ligt mooi en organisch gelegen in de omringende Toscaanse heuvels. Een tufstenen muur omgeeft de tuin en de ingang, in de vorm van een boog, is een ontwerp van de architect Mario Botta, waar ook in Deventer werk van staat. De Nieuwe Poort aan de Mr. De Boerlaan.
Inspiratie voor deze tuin doet Niki de Saint Phalle op in de vrolijke fantasiewereld van Gaudi, verbeeld in ‘Parc Guell’ te Barcelona.
Nadat het idee voor de tuin vanaf 1979 langzaam vorm krijgt, duurt het nog zo’n twintig jaar voordat het project helemaal klaar is. Tijdens de aanleg van de tuin en de bouw van de beelden die de tuin bevolken, woont Niki de Saint Phalle met haar partner, de beeldhouwer Jean Tinguely, in een van haar creaties, De Keizerin.  Je moet wel van spiegeltjes houden als je daar woont.
Je kunt er naar binnen en het speelse interieur bewonderen. In de buik van de Keizerin staat nog een ander beeld, namelijk de Zegekar.

De Zegekar.

Vanuit deze enorme roze vrouw met het zwarte gezicht en blauw haar geniet zij van de vorderingen en maakt ze schetsen voor haar creaties.

De Keizerin

De 22 beelden, waarvan sommige ruim 15 meter hoog, worden gevormd door een skelet van metaaldraad en beton. Plaatselijke kunstenaars werken de sculpturen vervolgens af met spuitbeton, veelkleurig keramiek, mozaïek en kostbaar glas.

Als je door de Tarottuin loopt, kun je niet anders dan vrolijk worden en dat is precies wat de kunstenares voor ogen heeft. De bezoeker moet blij worden van haar tuin.

De Zon

De Keuze (De Geliefden)

De Ster

De Gerechtigheid

We laten ons vandaag met heel veel plezier betoveren in deze prachtige tuin.

Door de Keizerin en de Keizer, de Geliefden, de Zegewagen, de Kluizenaar, het Rad van Fortuin, de Duivel, de Dood, de Gehangene, de Zon, de Maan, de Ster en natuurlijk  niet in de laatste plaats door de Magiër zelf, Tarotkaart nummer 1…..

De Magiër

De kleur van geluk.

Terwijl hij mij de kamersleutel voor kamer 17 overhandigt, vraagt hij of ik het een probleem vind. Ik kijk de receptionist van Hotel Villa Albina in Napels niet begrijpend aan, dus legt hij me uit dat nummer 17 voor Italianen het ongeluksgetal is. Veel hotels hebben dit kamernummer helemaal niet, net als straten en hoge flatgebouwen waarbij huisnummer 17 en etage 17 gewoon overgeslagen worden. Aan nummer 13 echter, hebben zíj weer maling.
Ik vraag hem, waar dit bijgeloof op gebaseerd is, maar dat kan hij me niet vertellen. Dus ondanks dat dit hotel een ex-nonnencongregatie is, er nog altijd bejaarde zusters op de derde etage wonen en we omringd worden door menig Maria-beeld in de tuin, op het dak, in de gangen en in de kapel, lijkt zijn bijgeloof sterker dan zijn geloof.

Vandaag hebben we een autodag. We rijden van Napels naar Toscane, dus ik heb alle tijd om eens te achterhalen waarom het getal 17 in Italië met ongeluk en rampspoed verweven is.
Het blijkt te maken te hebben met de Romeinse wijze waarop je zeventien schrijft, XVII. Dit is een anagram van het Latijnse woord VIXI dat ‘Ik heb geleefd’, oftewel ‘Ik ben dood’ betekent. Deze term is op menig Oud-Romeinse grafsteen te lezen en daar willen de Italianen, bij leven althans, niets mee te maken hebben.
Maar hoe wend je ongeluk en rampspoed eigenlijk af in dit land waar nota bene de baas van de de roomse kerk gezeteld is. Je zou denken dat dit voldoende bescherming biedt, maar niets is minder waar. Waar je je ook begeeft in dit land, overal kom je ze tegen. Il corno rosso, het bloedrode hoorntje, in alle soorten en maten. In menig kerk en kathedraal zie je afbeeldingen van een Madonna met Kind, waarbij het Christuskind een kleine rode hanger om de hals heeft hangen. Een stukje koraal, naar later blijkt.

Maar ook veel Italianen dragen een ragfijn gouden kettinkje met daaraan het kleine hoorntje van bloedkoraal. Als amulet tegen het malocchio, het slechte of boze oog.
Il corno, zoals dit hangertje genoemd wordt, heeft de vorm van een rood pepertje. Elke juwelier stelt ze in zijn etalage tentoon als ketting of oorhangers ,gevat in goud of zilver, maar ook takjes koraal als sieraad zijn een gewild item als bescherming. Mijn verjaardagscadeautje van Holger krijgt zo nóg meer waarde wanneer ik ontdek wat het kan doen.

In de vele souvenirwinkeltjes kun je niet om deze talisman heen.
Soms van koraal, maar veel vaker van plastic, gips of geglazuurd aardewerk. Het doet ons al met al sterk denken aan de blauwe ogen in Turkije. Dezelfde functie, dezelfde kitscherige uitvoering in toeristenstalletjes.

Maar er gaat nog een ander, veel ouder verhaal achter schuil. Al sinds de oudheid wordt koraal gebruikt in sieraden of als decoratie. De relatieve zeldzaamheid van het materiaal maakt het in die tijd erg waardevol en gewild, belangrijke kwaliteiten voor een amulet.
Via de mythologie weet de Romeinse dichter Ovidius met zijn werk ‘Metamorphosen’ ons precies te vertellen waar het koraal oorspronkelijk vandaan komt, namelijk van het bloed van Medusa! Zij wist immers alles en iedereen wat leeft te verstenen met de kracht van de blik in haar ogen.

“………Perseus spoelt in de zee zijn overwinnaarshanden schoon en maakt, om het Medusahoofd vol slangen te behoeden voor ’t grove zand, een zachte bladerlaag op ’t strand, legt daar zeewiertakjes op en dan het hoofd van Phorcy’s dochter.
Het verse wier, vitaal en nog steeds vol eigen zuigkracht, drinkt van Medusa’s kracht. Door het contact ermee versteent het en krijgt in blad en stelen een merkwaardige nieuwe hardheid.
Zeenimfen willen dit verrassende verschijnsel testen op ander zeewier en tot hun vreugd doet zich hetzelfde voor en steeds weer strooien zij dit zeewierzaad over de golven.
En nog steeds heeft koraal dezelfde eigenschap. Het krijgt een harde vorm, als het aan lucht is blootgesteld en wat onder water plant is, wordt daarboven harde steen…….”.

Peter Paul Rubens schildert rond 1617 onderstaand schilderij van het hoofd van Medusa, dat te zien is in het Kunsthistorisch Museum in Wenen.

Sinds deze mythologische oorsprong schildert men koraal eeuwenlang af als een symbool van leven en wedergeboorte en is het een amulet tegen kwade krachten.

De Romeinen zien koraal als een ornament met helende en bezwerende krachten, speciaal met betrekking tot de bescherming van kinderen. Kindersterfte is immers lange tijd erg hoog en dan is de noodzaak iets preventiefs te vinden groot. De kinderen dragen een hanger van koraal als behandeling tegen allerlei ziektes, nachtmerries en pijn bij doorkomende tandjes. Het koraal is zó hard, dat het prima dienst kan doen als bijtring.

In de middeleeuwen krijgt koraal ook een religieus belang en werd het een talisman tegen het Boze Oog.
Tijdens de renaissance blijft deze functie behouden en wordt het veel verwerkt in de productie van heilige voorwerpen. Als bescherming voor kinderen blijft het koraalhangertje ook in gebruik.
Omdat natuurlijk ook het Christuskind enige bescherming nodig heeft, wordt over bestaande fresco’s vaak een koraalhangertje geschilderd.
Voorbeelden hiervan zijn te vinden in werken van Piero della Francesca, Squarcione en de Madonna met Kind-voorstellingen van Jacopo Bellini.

In Zuid-Italië ontwikkelt zich vervolgens een bloeiende handel in devotionele en mythologische objecten van koraal. Door de eeuwen heen kom je dus allerlei versies tegen van il corno rosso. Van hoorntje naar koraaltakje tot rood pepertje.
Wanneer de eerste chilipepers vanuit Amerika in Italië belanden, zijn deze niet alleen populair in de keuken maar doen ze de Italianen ook direct denken aan de bloedkoralen gelukshangers. Waar de oude amuletten de grillige vorm van koraal behouden, krijgt het nieuwe amulet steeds meer de vorm van een rode peper.

Bij toeval vindt Holger in Napels een heel kleine il corno rosso van steen, met daaraan een soort houten bingoschijfje waarop 36 staat. Geen enkel ander getal dan ons huisnummer 36 ligt in de bak. Als dat geen bewijs van geluk is…….we geloven er acuut in. Het hangt nu in onze auto zijn werk te doen, want ook hiervoor geldt: Baat het niet, dan schaadt het niet.

De volgende dag krijgen we nog een leuke aanvulling van onze vriend Guido Orsetti op onze aankoop van het hoorntje met het getal 36.
Droom je van een kat die achter een vogel aan zit, wil je wel een gokje wagen en ben je ook nog in Napels?  Koop dan vandaag een lottobiljet met in ieder geval de getallen 3 en 35. Droom je over je moeder die vers brood bakt? Dan zijn 50 en 52 je geluksgetallen.  Zijn castagnetten het onderwerp van je nachtelijke avontuur, dan is 36 jouw getal!
Negentig verschillende dieren, personen en dingen die in je dromen kunnen opduiken, zijn verzameld in ‘La Smorfia’, het Napolitaanse dromenboek. De naam van dit werk is afgeleid van de Griekse god van de dromen, Morpheus. Bij veel Napolitanen ligt dit door intensief gebruik wat beduimelde boek binnen handbereik.  Het geeft namelijk veel houvast bij het spelen van de lotto aan de hand van een numerologische interpretatie van zijn of haar dromen. Zelfs als je niet kunt lezen, kun je toch de lottohoofdprijs winnen, aangezien het dromenboek een fraai geïllustreerde cijferlijst bevat.

We hebben dan wel niet over castagnetten gedroomd en spelen niet mee in de lotto, maar ook ons huisnummer blijft nog steeds een goede reden voor onze aankoop!

Kunst uit de onderwereld.

Roltrap op, roltrap af, metro in, metro uit. Je waant je in een compleet andere wereld wanneer je met de ondergrondse van Napels reist.
We kopen vandaag een dagkaart, om in ieder geval de twee meest belovende stations uitgebreid te gaan bekijken, het Toledo- en het Università-Station. Onder leiding van Achille Bonto Olivia, de voormalig directeur van de Biënnale van Venetië, zijn sinds 2001 totaal veertien stations langs lijn 1 en 6 van het Napolitaanse metronetwerk volledig onder handen genomen door internationaal bekende architecten en kunstenaars, zoals Alessandro Mendini, Anish Kapoor, Michelangelo Pistoletto, Karim Rashid en Sol LeWitt.
Het mooiste station van allemaal is misschien wel het Toledo Metrostation, dat in 2012 zijn deuren opent. De Spaanse architect Oscar Tusquets Blanca is verantwoordelijk voor het ontwerp dat als thema  licht en water krijgt.
De wanden…..de plafonds…..vrijwel elke vierkante centimeter is betegeld met blauw en witte Bisazza mozaïektegeltjes.

Via de roltrap daal je af in een wonderlijk onderwatertafereel. Of reis je juist naar het Melkwegstelsel, wanneer je met diezelfde trap weer stijgt?
De ‘Crater de Luz’ van Tusquets Blanco, in het plafond boven de roltrap, is een hoornvormige ruimte van 30 meter, die langzaam in opwaartse richting  naar het daglicht toegaat en met haar kleurnuances van blauw het idee van de zee oproept.

In de gang op de tweede verdieping beneden is de 24 meter lange lichtinstallatie ‘On the beach…you and me’ van Robert Wilson te zien.
Je krijgt hier het gevoel langs de zee te wandelen en door het gebruik van elektronische lichteffecten lijkt het alsof de golven komen aanrollen.

Bij een andere uitgang is de installatie ‘Men at work’ van Achille Cevoli te zien. Met zijn beelden herinnert hij je eraan dat alle schoonheid die je ziet uiteindelijk toch echt door arbeiders, door de ‘gewone man’ dus, gerealiseerd is.

William Kentridge geeft met een lange mozaïekwand getiteld  ‘Napels Procession’ de geschiedenis van Napels weer. Vooraan in de optocht loopt San Gennaro, de patroonheilige van de stad. Je ziek dit werk wanneer je de stationshal binnenkomt.

Van dezelfde Zuid-Afrikaanse kunstenaar is een mozaïek, genaamd  ‘Opera d’arte’.

We wandelen, via een deel van de historische stad, naar het volgende kunstproject onder de grond, het Metrostation Università, ontworpen door de Amerikaanse designer Karim Rashid.

Vanaf het eerste moment dat je dit station betreedt is het één groot feest, van kleuren, met een sterk psychedelisch effect. Vloer en muur lijken te bewegen en de motieven veranderen voortdurend.

De treden van twee trappen vormen de gezichten van een langharige schone en een keizerachtig type, die echter verdwijnen zodra je de trap omhoog gaat.

 

Door het materiaalgebruik en rollende leds schittert alles je met enorme kracht en vaart tegemoet. Je kúnt niet doen alsof je niets ziet maar kennelijk raak je er toch aan gewend.  Als reizigers van de net gearriveerde metro langs ons heen lopen, zien ze niet op of om, terwijl wij werkelijk voortdurend met open mond om ons heen staan te kijken.
In de entreehal staan nog wat plastieken. Een grote zwarte zuil met, als je er goed voor staat, aan weerszijde een gezicht en profile  en een  dier van metaal aandoende bollen.

Langs de trappen is een muur met daarop nieuwe, in deze eeuw gecreëerde woorden, wat alles te maken heeft met de digitalisering van onze wereld.

We maken beiden foto’s bij de vleet en Holger voert zelfs wat gymnastische oefeningen uit op roltrappen voor het beste resultaat.
Ik waag me daar niet aan en blijf met beide benen op de grond.

Van alle miljoenen metroritten die er dagelijks wereldwijd worden gemaakt, zijn de meeste simpelweg een middel om een bestemming te bereiken. In veel gevallen zijn het stressvolle reizen, waarmee je de dag mee start of eindigt.
Het doel van dit enorme project is om wat verlichting en vrolijkheid te brengen in de dagelijkse sleur van de metrogebruiker die reist door de ondergrondse binnenstad en dat is volgens ons prima gelukt.
Je kijkt werkelijk je ogen uit en stapt met een opgewekt en energiek gevoel de metro in en uit. Je moet alleen geen haast hebben want dan mis je óf je  metro óf al die overweldigende ondergrondse kunst.
En beide is jammer!

Madre, che bella!

Er staat een paard op een dak  aan de Via dei Musea, in het historische hart van Napels.
Het dak is van MADRE, Museo d’Arte Contemporanea Donnaregina.

Op onze wandeling er heen, attenderen vlaggen en bescheiden billboards ons al op dit kleine pareltje onder de musea van Napels.
De naam verwijst naar het klooster van Santa Maria Donnaregina, gesticht in de dertiende eeuw. Hiervan rest nu nog slechts de kerk. Het Palazzo Donnaregina, waar ook MADRE in is gehuisvest, dateert uit de negentiende eeuw.

In het midden van de negentiende eeuw koopt de Banco di Napoli het pand. Om diverse redenen, zoals WO II en een aardbeving in 1980, verandert het gebouw een aantal maal van ex- en interieur. Na de zware schade en economische instabiliteit staat het vanaf 2001 leeg, maar in 2005 koopt de regio Campanië het om er een museum voor hedendaagse kunst in te huisvesten. De Donnaregina Foundation maakt er kosteloos gebruik van, om zo aan geïnteresseerden moderne kunst te tonen.
Vandaag zijn wij een van die geïnteresseerden en de expositie Pompeii@Madre is de aanleiding voor ons. Een aantal kunstenaars van naam exposeren, ieder in een eigen ruimte, hedendaags werk in combinatie met archeologische voorwerpen die zij als inspiratiebron hebben gebruikt.  Soll LeWitt laat zich leiden door een mozaïekvloer met het werk
“10.000 Lines”.

We zien een blauwe en een rode muurtekening, beide in de vorm van een grote cirkel en gevormd door 10.000 rechte lijntjes die minutieus op de grote oppervlakken zijn aangebracht. Net als bij het mozaïek zie je dit alleen wanneer je er met je neus bovenop staat.

De volgende ruimte neemt Napolitaan Francesco Clemente voor zijn rekening met ‘Ave Ovo’. In het oude Pompeii zijn talloze fresco’s, mozaïeken, beelden en olielampjes gevonden met afbeeldingen die we vandaag de dag als pornografisch bestempelen. In de Oud-Romeinse tijd echter staat de extreem grote Fallus, met of zonder man eraan vast, symbool voor geluk, creativiteit en vruchtbaarheid. Clemente, geobsedeerd door seks, heeft deze schatten uit Pompeii met beide handen aangegrepen.

Hij creëert in zijn zaal fresco’s van monumentale proporties en een keramische vloer, waarin hij oude symbolen van Napels weergeeft, als herinnering aan zijn kindertijd.

In de volgende ruimte laat Jeff Koons van zich zien. In het midden ligt een stapel ballen van klei in verschillende maten. Eén is in een fruitnetje gestopt, waardoor deze op een meloen lijkt.

De grote doeken op de twee muren, ‘Untitled’, doen denken aan verhalende fresco’s uit het verleden.

Anish Kapoor doet mee aan deze expositie met zijn werk ‘Dark Brothers’.
Uit Pompeii staat een Romeinse godenkop in terracotta.

Het kunstwerk op de vloer, lijkt een zwart gat te zijn dat me naar zich toe trekt. Maar het is een vlak oppervlakte dat een aanzienlijke diepte in zich verbergt. Wat voor het oog lijkt, is niet wat het werkelijk is. Zo is het misschien ook wel met de goden. Ze zijn er ,maar ook weer niet, overal en nergens.
Kapoor speelt graag met licht en schaduw, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, vol en leeg, hol en bol en creëert zo graag iets, wat in werkelijkheid niet bestaat.

Ontroerend is het werk van Mimmo Paladino, ‘Untitled’. We zien het beeld van een in Pompeii versteende moeder en kind. Terwijl ik kijk, hoop ik , tegen beter weten in, dat zij plezier hebben en samen aan het spelen zijn, op het moment wanneer de stroom brandende puimsteen en gasgolf hen plotseling verrast.

Tegen de door  Paladino met deels abstracte tekens bekraste muur staat een bijna vrouw-van-Lot-achtige figuur met het gezicht naar de wand gekeerd.
Het lijkt té erg om achterom te kijken en te zien wat de Vesuvius heeft aangericht.

Een aantal Oud-Romeinse grafstenen, gemaakt van vulkaan-, tufsteen of marmer, staat gegroepeerd in het midden van de zaal waar Rebecca Horn haar werk tentoonstelt. Op de voorkant van elke steen is de naam van de overledenen gegraveerd.

In het oude Pompeii stonden deze grafstenen, vaak als familiegroep, buiten de muren langs de toegangswegen van de stad, alsof ze voorbijgangers toefluisteren “Vergeet mij niet”.

Aan de wand hangen zwarte doodskoppen waar een spiegel voor bevestigd is en soms een felle spotlamp. Momento Mori lijkt de boodschap, want als je ervoor staat kijk je naar je eigen spiegelbeeld.

Maar het werk lijkt ook Carpe Diem te zeggen. Pluk de dag, want voor je het weet zit je tijd er op.
Zeker als je Napels hebt gezien!

“Vedi Napoli e poi muori”.

Nu we er toch zijn, willen we wel eens weten waar de oorsprong van deze uitdrukking ligt. “Eerst Napels zien en dan sterven” is de vertaling van deze Italiaanse zegswijze. Maar er wordt ook beweerd dat er in de oudheid bij Napels een plaatsje Muori ligt, dat eveneens zeer de moeite waard is om te bezoeken. In dit geval luidt het spreekwoord dan: “Ga eerst Napels zien en dan Muori”. Deze verklaring is echter meer valse bescheidenheid dan waarheid en de Napolitanen houden dan ook maar wat graag vast aan de eerste vertaling. Dat wij de uitdrukking kennen, hebben we te danken aan Johann Wolfgang von Goethe.
Deze in 1749 geboren wetenschapper en schrijver maakt een zogenaamde Grand Tour, een tussen de zestiende en de twintgste eeuw uitermate populaire reis door Europa voor welgestelde kunstschilders, beeldhouwers en schrijvers, ter afsluiting van hun studie. Het is bedoeld om kennis te maken met toekomstige collega’s en een rondje te doen te doen langs beroemde kunstwerken. Men leert tegelijkertijd nieuwe technieken, talen, geschiedenis van de oudheid, kunst en bouwkunst en het is een buitenkans om te werken aan contacten. Netwerken avant la lettre dus!
Goethe verblijft van 1786 tot 1788 in Italië en alles wat hij ervaart, legt hij vast in brieven naar zijn familie in zijn geboorteplaats Weimar en in een dagboek, getiteld ‘Italienische Reise’. Hij was vooral diep onder de indruk van Napels. “Een mens die Napels heeft gezien, kan nooit meer treurig zijn”, aldus Goethe.

In het tweede deel van zijn dagboek beklimt de schrijver tussen twee erupties van de Vesuvius deze vulkaan. Hij bezoekt ook Pompeii, de versteende stad die een wonderlijke indruk bij hem achterlaat. Hij schrijft echter ook over de inwoners van Napels en hun manier van leven.
Vooral de enorme hoeveelheid voedsel dat overal ligt uitgestald is een punt van aandacht. De Napolitanen eten veel en met graagte. Elk jaar rijdt een stadsbeambte, vergezeld door een trompetter, door de stad en verkondigt luid op alle pleinen en kruispunten hoeveel duizenden ossen, kalveren, lammeren varkens en vissen de inwoners van Napels verorberen in het afgelopen jaar.Het volk luistert aandachtig en schept een mateloos genoegen in deze grote getallen en iedereen herinnert zich met plezier zijn eigen aandeel in deze consumptie.
Goethe beschrijft zijn Siciliaanse en Napolitaanse ervaringen met een enorm enthousiasme. Plaatsen, bouw- en kunstwerken die vandaag de dag nog altijd te bewonderen zijn. Ook vermeldt in zijn dagboeknotities dus de in Napels veel gehoorde uitdrukking “Vedi Napoli e poi muori”, waar hij zich helemaal in kan vinden.

Tegenwoordig zit zo’n Grand Tour er niet meer in, althans niet voor ons.
We reizen dan wel korter, maar genieten niet minder enthousiast dan Goethe. Vandaag maken we onze eerste wandeling door Napels, waar we tot zaterdag blijven. We komen ogen tekort.

Kleur, balkonnetjes, beelden, street art, de platanen en nog veel meer. De eerste indruk is overweldigend, evenals het hoogteverschil tussen ons hotel en de oude stad. Maar daar heeft de Napolitaan al in 1880 iets op gevonden, de funicolare. Een kabeltreintje dat je in een mum van tijd 1200 meter verder en 170 meter hoger brengt. Zo’n 13% stijging dus, té veel voor onze ledematen op leeftijd.

Onwillekeurig schiet het nummer “Funicoli, funicola” me te binnen, terwijl we omhoog gaan richting Vomero-heuvel. Peppino Turco en Luigi Denza schrijven dit wereldberoemde Napolitaanse lied. Het duo doet mee in 1880 aan een soort songfestival dat deel uitmaakte van het volksfeest Piedigrotta. Eigenlijk is het niet meer dan een grap, een liedje in het Napolitaans dialect ter ere van diezelfde funicolare, die eerder dat jaar, op 6 mei, haar eerste rit maakt op de helling van de Vesuvius. Napels telt inmiddels vier lijnen, waarin  je de tekst naar hartelust kunt zingen, terwijl je het oude centrum steeds kleiner ziet worden.
Jammo, jammo, ncoppa jamma, ja!

Napels gaan we verder zien de komende dagen, maar het sterven, dat laten we voorlopig maar even voor wat het is !

Vluchten kan niet meer.

In de verte zien we de boosdoener van destijds verrijzen, de Vesuvius. We zijn onderweg naar Napoli, onze volgende eindbestemming, maar we kúnnen Pompeii natuurlijk niet links laten liggen.

Het is een verwoestende gaswolk en de stroom aan puimsteen die, na de uitbarsting van de beruchte vulkaan, zorgt voor een beschermende dikke laag as, ruim 5 meter dik. Hierdoor zijn in Pompeii de best bewaarde ruïnes te vinden uit de antieke oudheid. Door de aspluim die de Vesivius enkele dagen voor de fatale datum van 24 augustus 79 al vrijlaat, kiezen de meeste bewoners het zekere voor het onzekere en ontvluchten de stad. Twee dagen later verdwijnt de stad totaal.
Wat doe je tegen een gevaarte van gas, puimsteen dat met tachtig km per uur en 400 graden Celsius de berg afstormt? Niets dus. De daardoor veroorzaakte wolk doet zelfs de zon verduisteren, volgens vulkanologen.
De bijna 2000 mensen die om wat voor reden blijven of terugkeren, hebben geen schijn van kans en kunnen geen kant meer op. Vluchten kan niet meer. Ze sterven onmiddellijk door het vallende puimsteen, het verstikkende gas en de brandende as.
Het is vreemd, maar het duurt tot in de 18de eeuw voordat men begint met opgravingen, wederom dankzij koning Karel IV van Napels. Van de 66 ha is er inmiddels al zo’n 50 afgegraven. Een grote weelde aan architectuur, beelden, steengoed, mozaïeken en fresco’s valt ons hierdoor ten deel.

Pompeii geeft een goed beeld van een Oud-Romeinse stad uit de zevende eeuw BC tot 79 AC. Osken, Samnieten, Grieken, Etrusken en Romeinen laten er allemaal hun sporen achter. We lopen door goed bewaarde straten. Huizen, taveernes, bakkerijen, het is allemaal goed van elkaar te onderscheiden.
Hoewel wij slechts een deel van de stad zien, is dit al te veel om te beschrijven. Ik beperk me in dit blog tot twee bezienswaardigheden die veel indruk op ons maken.
Het eerste is “Casa della Venere in Conchiglia”, het Huis van Venus Marina,  ooit de woning van een rijke familie.
Op het moment van de ramp is men nog bezig met restauratiewerkzaamheden. Het huis is zwaar beschadigd geraakt door de aardbeving, die de stad 17 jaar eerder treft. Opvallend aan deze woning is het peristilium waarin op de achtermuur het geweldig mooie fresco “Venus in de schelp” is aangebracht. Haar zoontjes Cupido, zoals altijd op een dolfijn, en Antros vergezellen deze godin van de liefde en de vrouwelijke schoonheid.

Links van haar staat Mars in een paradijselijke setting.
Mars is de Romeinse god van de strijd, dood en oorlog maar had daarnaast ook nog wat vruchtbaarheidsfuncties. Immers, er heerst ook wel eens vrede en dan moet je toch ook iets te doen hebben. Hij is de meest vereerde god in Italië omdat hij de vader is van Romulus en Remus, de stichters van de stad Rome.
Rechts een afbeelding van allerlei vogels, waaronder twee tortelduiven die  uit een fontein drinken.

Overigens is een peristilium een door zuilengalerijen omgeven niet-overdekte ruimte. Het heeft meestal de functie van een binnentuin. Het is vaak versierd met fonteinen en muurschilderingen, wat dus hier het geval is. Het toeval wil dat Holger vlak nadat we dit zien, een foto weet te maken van een slechtvalk, te zien op een van de vogelcompilaties.

We zien regelmatig fresco’s tijdens onze wandeling door deze Oud-Romeinse stad. Het valt op dat er vaak hoofdjes als klein detail te zien zijn die verschrikt en ontzet van zich af kijken.

Het lijkt alsof zij al weten, wat de stad Pompeii op een dag voor vreselijk drama te wachten staat. Want dat besef je toch wel terdege, wanneer we ”Orto dei Fuggiaschi”, oftewel de Tuin der Vluchtelingen in lopen.
Er is geen andere plek waar de huiveringwekkende gebeurtenis van zo lang geleden zo dichtbij komt als hier. In 1961 doen opgravers midden in de wijngaarden een bijzondere vondst. Versteende overblijfselen van dertien personen, zowel volwassenen als kinderen, die hier hun toevlucht zoeken wanneer de Vesuvius uitbarst. Zij rennen in paniek de stad uit, richting stadsmuren, in een poging te ontkomen aan die enorme regen van puimsteen, die het begin van de zo beroemde uitbarsting kenmerkt. Meteen daarna volgen de asregens die hen fataal worden.

De mummies vertellen het verhaal over de ramp misschien nog wel het best. De as- en puimregens zetten zich vast als cement om de lichamen. Dit versteent en de zachte delen in de lichamen verteren door de tijd heen. Maar door een speciale techniek zijn de lichamen van deze overledenen te zien. Vloeibaar gips wordt gegoten in de holte die door het lichaam in de gestolde laag as is achtergelaten en die de exacte vorm van het lichaam heeft behouden.
Wat het zo indrukwekkend maakt zijn de gezichtsuitdrukkingen waarmee en de houdingen waarin de lichamen vereeuwigd zijn. De vertrokken gezichten van de vluchtende mensen of die van hen die angstig in elkaar gedoken zitten, allemaal in een verkrampte houding. Je kunt de pijn en angst die ze moeten hebben doorstaan nog altijd voelen.

Het is duidelijk te zien, vluchten kon niet meer.

Dat is buffelen vandaag.

Tenuta Vannulo. Letterlijk betekent dit het landgoed dat niets waard is. Maar we nemen vandaag niet alles letterlijk, en dat blijkt zijn waarde ook te hebben! Het schrikt Antonio Palmieri in elk geval niet af, wanneer hij in 1988 een vervallen landgoed en de bijbehorende moerassige landerijen koopt, waarvan hij de de mooiste buffelboerderij in de omgeving maakt.

Antonio trekt zich niets aan van de prijzen en de DOP’s, verklaringen van echte buffel mozzarella, die andere bedrijven krijgen. Hij vertrouwt op zijn kennis en ervaring om een product te maken dat zijn weerga niet kent. Het begint al met zijn keuze voor het halen van waterbuffels uit India, die volgens hem nog smaakvollere melk geven dan de al in Italië aanwezige soortgenoten.

Antonio gelooft dat blije buffels meer en smakelijkere melk maken. Met dat in gedachten, hebben zijn vijfhonderd kilo wegende zwarte waterbuffels een aangenaam leven.
Loungend op rubbermatrassen,  zichtbaar genietend van massageborstels, kauwend op organisch hooi met verse kruiden, douchend in druppels van fijne nevelsproeiers, gekalmeerd  worden door jazz en klassieke muziek.
Zo komen zij de dag wel door.

Hier wordt een buffel, indien nodig, alleen behandeld met homeopathische middelen. Het is een 100% organische boerderij, een van de weinige in deze streek. Illustratief is ook hoe de overlast van vliegen aangepakt wordt. Niet met insecticiden maar met effectieve vangzakjes waar suikerwater het vergif vervangt als gebruikt lokmiddel.

De buffels geven pas melk vanaf hun derde jaar en niet langer dan tien maanden na de geboorte van een kalf. De buffels die momenteel niet produceren vormen de helft van de veestapel. Deze buffels lopen meestal in de wei.
De buffels die melk geven wonen in een stal met de modernste technieken. Ze bepalen zelf wanneer ze gemolken willen worden, maximaal drie maal per dag. Rustig lopen ze naar de volautomatische melkmachines en wachten geduldig in een rijtje tot ze aan de beurt zijn.
Deze melkrobot biedt het dier de mogelijkheid tot zelfmanagement, waardoor het melkproces natuurlijker en minder stressvol verloopt.

Uitgangspunt is dat de buffels individuen zijn met hun eigen speciale wensen. Als je goed kijkt, zie je ook dat ze allemaal een eigen uiterlijk en uitstraling hebben. Een kleine afwijking is dan ook geen punt dat blijkt wel als we een dame zien van wie de linkerhoorn niet helemaal staat zoals het hoort. Geen probleem, ze doet gewoon mee in de kudde.

De buffels gedragen zich heel mak en relaxed. Dat ervaren we als we een rondleiding in de stallen krijgen. Tenuta Vannulo is bekend bij prestigieuze restaurants en foodies in het binnen- en buitenland vanwege  de productie  van een legendarische mozzarella di bufala.
De boerderij produceert én verkoopt zo’n 400 kilo mozzarella per dag waarvoor zo’n 1500 liter buffelmelk wordt gebruikt. Het grootste deel koopt de lokale bevolking, wat rest is voor de serieuze liefhebber die er soms uren voor rijdt.
Van achter glas zien we hoe de mozzarella getrokken wordt, een interessant schouwspel dat meteen duidelijk maakt waarom met de hand gemaakte  buffelmozzarella relatief duur is. Vakmanschap, handenarbeid, de beste ingrediënten en materialen en geduld met liefde zijn nodig om te komen tot dit verrukkelijke kaasje.

Mozzarella wordt binnen een paar uur gemaakt. De jonge kaas lekt even uit en wordt daarna met heet water gekneed om een romige structuur te krijgen. Vervolgens wordt dit elastische ‘deeg’ in bollen verdeeld. Mozzare is het Italiaanse woord voor knijpen of snijden. En dat is precies wat er met dit verse, ongerijpte kaasje ‘zonder jas’ gebeurt. Gekookte wei wordt met een rulle, gestremde massa, zoiets als cottage cheese, vermengd tot draderig spul, de pasta filata. Vervolgens wordt de kaas opgerekt, de kaasmaker knijpt er een stuk af (mozzare!) en formeert dat tot eivormige balletjes van meestal zo’n 80 tot 100 gram. Dan worden de kaasjes in eigen weivocht  gelegd en… direct opgegeten. Want dagverse mozzarella, druipend van de wei, eten Italianen acuut. Het liefst binnen vierentwintig uur.

Natuurlijk eindigt de gids haar rondleiding met een kleine proeverij. We krijgen op een vorkje, als ware het een lollie, elk een paar heerlijke dagverse mozzarella bolletjes om op te eten. Zo zacht en kruidig hebben we het nog nooit gegeten!

Vandaag zien we dat een stuk waardeloos land met inzet, passie en visie is omgebouwd tot een top organische en uiterst diervriendelijke boerderij, waar volgens velen de beste mozzarella ter wereld wordt gemaakt. Dat zoiets mogelijk is, stemt tot tevredenheid en hoop voor de toekomst op wat betreft dierenwelzijn in de voedingsindustrie.

Naast mozzarella zijn er nog meer producten te koop. Buffelyoghurt, ijs, spreads van buffelboter en noten, buffelleren producten en meer. Al met al een reden voor velen om hier naar toe te gaan. Vanuit de hogeschool voor kunsten in het nabijgelegen Salerno is een mooi storyboard gemaakt van een bezoek aan Tenuto Vannulo, zoals ook wij dat vandaag hebben gebracht.

Een duik in een ver verleden.

Het zal je gebeuren. Je vindt een graftombe, licht de dekplaat op en je ziet met de meest intense kleuren beschilderde taferelen op de binnenwanden van het betreffende graf. Het zou je de adem toch benemen, zó mooi! Nou, in 1805, wanneer de eerste tombes worden gevonden in het gebied rond Paestum, is niemand er van onder de indruk.
Ze worden ter plekke achtergelaten voor wat ze waard zijn en gaan derhalve verloren. Alleen Pompeii en alles wat men daar aan schilderingen vindt, is helemaal hot op dat moment. Maar gelukkig wordt men vanaf de jaren ’30 van de vorige eeuw een stuk wijzer. Na de vondst van drie graftombes zet Pellegrino Claudio Sestieri een systematische aanpak op hoe in de toekomst de tombes te openen, te onderzoeken en bevindingen vast te leggen.
Het is dan ook aan hem te danken dat wij vandaag fantastisch mooie fresco’s zien, afkomstig uit tombes die vanaf dat moment ontdekt zijn.
We zijn in Museo Archeologico Nazionale di Paestum.

In de zomer van 1968 wordt echter het klapstuk tot dan toe gevonden, La Tomba del Tuffatore, oftewel Het Graf van de Duiker.
De vondst van Mario Napoli slaat in als een bom. Voor het eerst staat men oog in oog met Griekse schilderingen uit de 5de eeuw BC.
Aan de buitenkant lijkt het een tombe zoals de duizenden graven die in de buurt van Paestum gevonden zijn. Een normaal kistgraf dat bestaat uit vijf stenen platen, gemaakt van lokaal kalksteen.
De vijf met fresco’s beschilderde binnenwanden maken deze vondst echter uniek.
Het is het mooiste voorbeeld van Griekse fresco’s uit de vijfde eeuw BC. Het zijn ook de mooiste scenes van homoseksualiteit in Oud Griekenland, die hier weergegeven worden.
Dankzij de keramieken vazen, die deel uitmaken van de begrafenisschat, is het jaar van overlijden redelijk nauwkeurig vast te stellen. Op een van die vazen staat namelijk een datering die te herleiden is naar 480 BC.
Wat is er allemaal op deze binnenwanden te zien?

Op de eerste, noordelijke lange wand is een alledaags tafereel bewonderen. Twee mannen zijn verwikkeld in een liefdesscene en drie anderen spelen het kottabosspel. Kottabos is een Oudgrieks spel, waarbij het laatste restje wijn in een beker weggeslingerd moet worden in een op het water drijvend schaaltje, zodat dit op een gegeven moment zinkt. Gezien de hoeveelheid wijn die daaraan vooraf gaat, zal dat een langdurig tijdverdrijf zijn geweest. De uitdrukking van de meneer rechts is, dankzij de halfgesloten mond, zeer sensueel. De middelste man lijkt behoorlijk afgeleid te zijn van het kottabossen en kijkt met ironische maar tegelijkertijd begerige en nieuwsgierige ogen naar de erotische toenadering van de eerste persoon rechts naar de jongeling in het witte gewaad.

Op de tweede, zuidelijke lange wand is een grafbanket , symposion in Oudgrieks, te zien, met zangers, fluitisten en lierspelers.
In het oude Griekenland is een symposion een eet- en drinkbijeenkomst van vrije mannen, met vrolijke conversaties of met een serieuze discussie over een bepaald onderwerp. Het is niet alleen maar een uitgelaten feest, de gemeenschappelijke godsverbonden en daarbij behorende rituelen vormen de kern ervan.
Het symposion wordt gehouden in het mannenvertrek van het huis. Het begint met rituelen rond het huisaltaar, hestia geheten, om vervolgens te gaan liggen op banken met kussens, de klinai.
Voor vrouwen was het verboden terrein, met uitzondering van enkele muzikanten en de soms aanwezige hetaeren, gecultiveerde gezelschapsdames die betaald worden om symposia te verlevendigen met hun sprankelende verhalen en, na afloop, seksuele diensten te leveren.

De korte wand aan de westzijde, laat een man zien die het symposion verlaat, voorafgegaan door een meisje dat op een fluit speelt en gevolgd door een man die een himation draagt. Dit is een kledingstuk in het Magna Graecia in de vorm van een grote rechthoekige lap stof, meestal van wol maar ook wel van meer luxueuzere materialen, die als een mantel om het lichaam wordt gedrapeerd.

De oostelijke korte wand toont een jonge bediende naast een zogenaamde krater. Dit is een grote kruik die gebruikt wordt om water bij de wijn te doen, letterlijk in dit geval. Dat gebeurt in die tijd vaak tijdens  ceremonies, wellicht om te voorkomen dat de gasten té dronken worden.

En dan  de dekplaat, waar het in dit geval eigenlijk allemaal om draait. Deze toont de afbeelding waaraan het graf zijn naam aan ontleent.

Een naakte jonge man duikt van een hoge duiktoren in blauw water, wat de overgang van leven naar dood symboliseert. De duik in de oerzee illustreert de terugkeer naar het hemelse vaderland, de reis die de ziel na de dood onderneemt.

Op de een of andere manier dwingt de afbeelding je om er naar te blijven kijken.
Onwillekeurig wacht je op het moment dat de vingertoppen van de duiker het water raken. Maar dit gaat niet gebeuren.
Een naakte jongeman hangt voor eeuwig in het moment van een eenzame duik in een eveneens onbeweeglijke plas water.

Wegwerkzaamheden.

Het zullen toch niet nog steeds dezelfde werkzaamheden aan de weg zijn?
Als wij Paestum bijna bereiken, stuiten we op een file. Er wordt aan de weg gewerkt, naar later blijkt.
Dit is ook al het geval in 1752, wanneer koning Karel IV van Napels wegwerkzaamheden laat uitvoeren en waarbij men de indrukwekkende ruïnes van Griekse tempels toevallig ontdekt. Het gaat dan om de aanleg van een weg, richting het zuiden, die de Vlakte van de Sele en de antieke stad doorkruist en het gaat om de overblijfselen van de tempels van Paestum. Deze hopen wij de komende dagen ook te ontdekken, dus het werk aan de wegvan nu is een gunstig voorteken!

We verblijven de komende dagen in Il Granaio dei Casabella, een voormalige, prachtig verbouwde schuur, gelegen in  een super onderhouden tuin en grenzend aan de Vlakte van de Sele, waarop de tempels gelegen zijn. Toevallig zien we vandaag een tekening van Deventer striptekenaar Jasper Rietman, uit de serie “Herstel van de Economische Crisis”, die heel goed geïnspireerd zou kunnen zijn op ons verblijf hier! We krijgen toestemming van Jasper om deze afbeelding in ons blog te gebruiken.

Tegenover onze slaapkamer zo ongeveer, bevindt zich de Porta Aurea, een van de vier ingangen, aan de noordzijde van de oude stad. Als we er
’s morgens vroeg langs lopen, schijn de zon er prachtig doorheen, dus de naam Gouden Poort lijkt een erg logische keuze.

In het Magna Graecia, het destijds door de Grieken bezette Sicilië en Zuid-Italië, speelt Paestum een belangrijke rol en het is nu een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in Italië.
Naast overblijfselen van de stadsmuren, amfitheater, de tempel van de Vrede en gevonden schatten, die te bewonderenzijn in het er naast gelegen Museo Archeologico Nazionale di Paestum, zijn de drie goed bewaarde tempels het blog-onderwerp van vandaag. Deze bevinden zich binnen de ongeveer 5 km lange stadswallen met een oorspronkelijke afmeting van 15 m hoog en 5 tot 7 m dik.

De weg waaraan ze liggen is de Via Sacra. Deze loopt van noord naar zuid en heeft vandaag de dag een duidelijk Romeins plaveisel.

De oudste van de drie tempels, met negen zuilen aan de korte en achttien aan de lange kant, is uit het midden van de 6de eeuw BC, genaamd Basilica, een volkomen onterechte naam overigens.
Geleerden uit de 18de eeuw worden laten zich op het verkeerde spoor zetten door enkele kenmerken van deze tempel. De korte zijden hebben een oneven aantal zuilen en de tweeschepige naos. Dit  heilige der heiligen van Griekse tempels, bestaat normaal gesproken uit één schip.

Deze kenmerken geven de deskundigen het idee dat het hier om een openbaar gebouw gaat, een zogenaamde Basilica. In die tijd is dit de zetel van de rechterlijke macht of doet als administratief dan wel handelsgebouw dienst.
Nog niet zo lang geleden doet men vondsten van offergeschenken en daardoor weet men nu dat het hier om een aan Hera gewijde tempel gaat.

Hera is in de Griekse mythologie de koningin van de Olympische goden. Zij is zowel de zus als later de vrouw van Zeus. Dat kan allemaal in die tijd.
Hera was onafgebroken jaloers op Zeus’ vele affaires en vervolgde haar rivales en hun kinderen met onverzoenbare woede. Herakles is daar een sprekend voorbeeld van.
Zij is de speciale beschermgodin van de vrouw, het huwelijk en als vruchtbaarheidsgodin begeleidt zij de geboorte van een kind. Al met al een heel pakket aan taken dus.

Op steenworp afstand staat de Poseidon-tempel, zo’n 100 jaar jonger dan zijn buurvrouw en, net als de andere Griekse heilige plaatsen, van het westen naar het oosten gericht. De korte zijde van dit complex telt zes zuilen, de lange zijde veertien. Het is een schitterend, statig resultaat van Griekse kunst met zijn sierlijke zuilen, die echt als eerbetoon voor de goden lijken te zijn gebouwd.

De afstand van de tempel tot de zee is gering, dus Poseidon zal al het eerbetoon aan hem met veel tevredenheid hebben gadegeslagen vanuit het zilte nat.
Immers, Poseidon is in de Griekse mythologie de God van de zee,  schepper van de wateren en broer van zowel Zeus als Hades.
Met zijn gouden wagen rijdt hij door zijn koninkrijk de zee, dwars door de golven die hem niet nat kunnen maken en dolfijnen omringen hem. Met een stoot van zijn drietand kan hij tsunami’s laten ontstaan en aardbevingen veroorzaken. Kortom, een god die je te vriend moet houden!

De laatste tempel is gewijd aan Athena maar wordt de Ceres-tempel genoemd. Ook hier interpreteert men dat wat gezien wordt verkeerd.
Door de later ontdekte talrijke aardewerken beeldjes in de gelofteputten, die in de nabijheid van de tempel gegraven worden, is Athena afgebeeld. Bovendien staat haar naam op een fragment van een vaas uit de derde eeuw BC. Hij is 50 jaar na de Basilica en 50 jaar voor de Poseidon-tempel gebouwd. Ook deze tempel heeft zes zuilen aan de korte, maar dertien aan de lange kant. Hij staat op het hoogste punt van de stad, wat ook een bewijs is dat het om een eerbetoon aan Athena gaat.

Athena, of Pallas Athena zoals zij voluit heet, is de godin van de wijsheid, wetenschap en de schone kunsten. Zij is geboren met een volledige wapenuitrusting, regelrecht uit het hoofd van Zeus. Zij verricht veel heldendaden in allerlei oorlogen, zoals die tegen de Giganten en in de Trojaanse oorlog.
Zij beschermt Herakles, haar lievelingsheld, die door de wraakzuchtige Hera opgezadeld is met twaalf onmogelijke taken.
Het verhaal gaat dat Poseidon en Athena strijden om de stad  en het gebied Attica. De stad krijgt de naam van diegene die met het nmeest nuttige geschenk op de proppen komt. Poseidon staat met zijn drietand op de Akropolis waardoor een zoutwaterbron ontspringt. Athena doet de eerste olijfboom uit de geschiedenis groeien, door met haar voeten flink op de grond te stampen. De overwinning wordt aan haar toegewezen, de stad krijgt haar naam en de olijfboom wordt vanaf dan beschouwd als een heilige boom die vrede en voortvarendheid symboliseert.

We zijn in het bezit van toegangskaarten die drie dagen geldig zijn, dus we gaan ongetwijfeld nog een keer bij onze buren op bezoek. Wellicht een keer in de avond, als de zon onder is, de zeewind waait en het voor ons daardoor een stuk aangenamer is.

Schoenmaker blijf bij je leest!

Daar is ze weer! Medusa, uit 1910 en fungerend als pomp deze keer.

We struinen al vroeg door het historische centrum van Cosenza, wat op steenworp afstand ligt van het moderne deel waar we gisteren het MAB zien. De Busento stroomt als een scheidslijn door het stadje. De koepel van de San Domenico-kerk steekt boven alles uit, ietwat verscholen in het groen.

Het stadje lijkt nog te slapen, wat de sfeer van weleer versterkt. Mooie doorkijkjes in zachtgeel licht en met veel smalle trappetjes, zijn haast te mooi voor woorden.

Het is verleidelijk om zo’n trap omhoog te nemen, maar uiteindelijk komen ze uit in de entree van een huis, soms met de deur open, waardoor je even een inkijkje krijgt in een eeuwenoud pand.

Er zijn al wel wat mensen actief. Zo is er een allervriendelijkste dame die een bloemenwinkeltje runt en ook de begrafenisondernemer, die tevens de doodskisten verkoopt, heeft zijn deuren al wijd open. Dan horen we zacht getik. We kijken bij een pandje naar binnen en zien een schoenmaker aan het werk. Aan de wand hangen talloze leesten en gewoon doorlopen is geen optie.
“Prego, prego”, zegt Guiseppe Salvati, als hij onze nieuwsgierige blik ontdekt.

We gaan naar binnen en hoewel het een klein oppervlakte betreft, is er een hoop te zien. Guiseppe vertelt graag. Het bedrijfje is opgericht in 1929. Zijn opa en vader hebben hier vroeger op ambachtelijke wijze schoenen gemaakt. Hijzelf beheerst dit ambacht ook, maar zijn werk bestaat nu voornamelijk nog uit het herstellen van schoeisel. Wel is de inventaris uit vroegere tijd nog altijd aanwezig. Zoals gezegd, de muren hangen vol met oude houten leesten, in drie groepen. Heren-, dames- en kinderschoenen. Oplopend in maat en wat betreft de vrouwenschoenen met of zonder hak.

In een wat donker hoekje hangt een aantal schoenborstels. Voor elke kleur leer is er wel één aanwezig.

Een degelijke, industriële  Singer naaimachine is voor het stikwerk bedoeld.

Vóór Guiseppe, op zijn niet al te grote werktafel, ligt een rond metalen bord met een opstaande rand en verdeeld in vakjes. Spijkertjes van piepklein tot 3 cm lang liggen keurig gesorteerd te wachten op gebruik.
Dit bord is nog met de hand gemaakt door zijn opa, vertelt hij trots.

Hij staat op en pakt drie paar kinderschoentjes. Het eerste paar is uit 1954 en gemaakt door zijn vader, het tweede paar door hemzelf en het derde paar in 2006 door zijn zoon. Laatstgenoemde doet overigens niets met schoenen maar is afgestudeerd cellist en is professioneel muzikant in een orkest in Florence.

Het is boeiend om naar Guiseppe te kijken en te luisteren. Een man met veel liefde en trots voor zijn werk, schoenen en winkel, die graag vertelt wanneer hij geïnteresseerd gehoor heeft.

Als we later verder door de straat lopen, zien we nog mooie Pirelli-borden aan de muur. Voor zolen en hakken. Hoe toepasselijk is dit!

Voordat we verder gaan, moet er eerst getrakteerd worden. Koffie met gebak, dat hoort immers bij een verjaardag. Een bordje vol petit fourtjes, espresso en water vormen een goede bodem om richting bestemming van vandaag te rijden.

Eenmaal weer onderweg, zijn we ons van geen kwaad bewust als we ingehaald worden door een politiewagen, die ons met zwaailicht en al maant tot stoppen op de eerstvolgende parkeerplaats. Wij wachten rustig af en een van de agenten komt naar ons toe. Waar we vandaan komen en of we Italiaans spreken is zijn eerste vraag. Niet al te enthousiast antwoordt Holger “Un poco”, zodat we altijd nog het excuus kunnen gebruiken dat we niets van zijn eventuele beschuldiging begrijpen.

Of we willen weten waarom we aangehouden zijn. Nou, dat lijkt ons wel handig, anders staan we hier ook maar zinloos te staan. Hij pakt zijn telefoon en we denken dat hij Google Translate opzoekt, om zijn verhaal kracht bij te zetten. Maar niets is minder waar.
Hij draait zijn telefoonscherm naar ons toe en we zien een wit broertje van onze Toyota Landcruiser. Vol trots vertelt hij dat deze van hem is en ondertussen komt ook zijn collega aangelopen. Samen met Holger lopen ze naar de achterzijde van onze auto, want ze willen maar wat graag zien hoe hij is ingericht. Hij gebruikt hem zelf ook als vakantie-auto. Vol bewondering lopen ze nog een keer om de auto en poseren meer dan gewillig voor een foto, die ik met alle plezier neem. En ik denk maar, the older the boys, the bigger their toys!

Ze zijn zo opgewonden van deze ontmoeting dat, wanneer onze wegen zich weer scheiden, ze helemaal vergeten hun zwaailichten uit te zetten, zodat we ze nog een tijdje in het zicht houden. Kom er in Nederland maar eens om. Aangehouden worden op de snelweg om even gezellig te babbelen over je auto!