Schoon aan de haak.

Op dit moment vieren de Alevieten het Aşure-feest.
Zij hangen een stroming binnen de islam aan die meer gebaseerd is op intenties dan op de letter van de koran.
Aşure is de tiende dag van het nieuwe islamitische jaar, 10 Muharrem. Nadat op 1 Muharrem de imam het nieuwe jaar inzegent in de moskee, is de tiende pas de échte feestdag.
Het is een dag van tegenstellingen. Er heerst blijdschap om de dingen die het nieuwe jaar hopelijk gaat brengen, echter ook verdriet om wat men in het afgelopen jaar verloren heeft.
Én het is een gezellige dag. Men zoekt elkaars gezelschap op, zowel thuis als op straat.
Als vanouds hoort bij deze dag het gerecht Aşure Çorbası, een koude, zoetige noten-vruchten-granen-peulvruchten-soep. Vanochtend serveren ze dit bij ons ontbijt in het hotel in Tokat, waar wij intussen aangekomen zijn. Ik vind het altijd erg lekker. Elk jaar komt er wel een bekende deze lekkernij bij ons thuis brengen. Er wonen namelijk relatief veel Alevieten in Deventer.

Ook is het de gewoonte dat je op deze dag uitgebreid een bad neemt. Het verhaal gaat dat uit alle kranen op de hele wereld water stroomt dat uit de heilige bron van Mekka komt, de Zamzam. Gewassen met dit water het nieuwe Alevitische jaar in, nou, dat wil ik wel meemaken.
Had ik dit van tevoren geweten dan had ik mijn kildan, hamam tası, peşkir, nalınlar en zeep plus puimsteen, beide aan een koordje, van huis meegenomen.

De kildan is een koperen ‘tasje’ dat men lang geleden meeneemt naar de hamam met daarin zeep, puimsteen en eventueel henna, wanneer je haar daar weer aan toe is. In de bodem zitten gaatjes, zoals bij een vergiet, zodat tijdens de weg terug naar huis het achtergebleven water makkelijk weg kan lopen.
De hamam tası is een koperen schaaltje, waarmee je jezelf met warm water begiet in de Hamam.

De peşkir, de dunne, katoenen omslagdoek, gebruik je wanneer je het badgedeelte even wilt verlaten om wat te drinken, het toilet te bezoeken of wilt roken. De nalınlar zijn de houten slippers, die je écht alleen in het badhuis mag gebruiken. Hygiëne is namelijk topprioriteit in de hamam!
Al deze attributen uit de Ottomaanse tijd bevinden zich in onze badkamer maar natuurlijk worden ze vandaag de dag niet meer gebruikt in en op weg naar de hamam. Plastic wint het immers al lang geleden van koper en hout.

Tokat heeft een eeuwenoude hamam, Ali Paşa genaamd, dat al sinds 1572 dag in dag uit geopend is.
Ik sta bijna op ooghoogte met de kenmerkende loden koepels op het platte dak. Deze koepels zijn voorzien van glazen stolpen waardoor het daglicht naar binnen valt. Er zijn geen ramen in de wanden want pottenkijkers kunnen de badgasten natuurlijk niet gebruiken.

Ik zoek de vrouweningang en terwijl ik het om het gebouw heen loop zie ik aan de drooglijnen de voor Turkije zo kenmerkende omslagdoeken hangen. Hier word ik al blij van!

Het vrouwengedeelte laat zich al snel vinden, aan de zijkant van het gebouw. Geen prachtig houten poort zoals bij de mannen, maar een veel mooiere door de wind bewegende ‘deur’ van vitrage-stof. “Kom binnen, kom binnen’, lijkt het gordijn gastvrij te gebaren.

Tokat is van oudsher de stad waar de masseurs vandaan komen. Ooit vaardigt een van de sultans een decreet uit waarin hij alle hammams in het Osmaanse rijk verplicht stelt masseurs uit Tokat aan te stellen. Waarom is niet bekend maar zo kunnen dus specialismen in een stad of regio ontstaan.

Bij binnenkomst vangt Elif mij op. Zij blijkt degene die mij tijdens het gehele hamam-ritueel begeleidt en dit begint al bij de ingang met het aanreiken van een mooie turquoise peşkir, een oranje plastic plonsbakje en een paar zwarte plastic slippers.

We staan in de hal met een waterbekken in het midden en langs de wanden de houten cabines waarin je je uit en weer aan kunt kleden.
Mijn sieraden en tasje gaan in een kluisje en ik krijg van Elif een kleedhokje toegewezen.

Met de hamamdoek om en de slippers aan stap ik vervolgens de badruimte binnen. Eerst krijg ik de gelegenheid om te wennen aan de warmte en hoge luchtvochtigheid. Overal is marmer om mij heen, de waterbekkens, het enorm grote, verwarmde plateau in het midden en de lambrisering langs de wanden. Op dit plateau vinden zo dadelijk de behandelingen plaats.

Het is nog erg rustig, slechts één andere bezoekster zit al flink te zweten op een marmeren verhoging naast een waterbekken dat gevuld is met warm water. Op haar verzoek neem ik gezellig plaats bij het bassin tegenover haar en al keuvelend over koetjes en kalfjes voel ik intussen dat mijn huid gaat gloeien en de poriën zich openen. Het is eigenlijk een heel intiem gebeuren. Je zit daar, beiden poedelnaakt, alsof je elkaar al jaren kent maar niets is minder waar.

Af en toe begiet ik mezelf met het heerlijk warme water en geniet van de serene rust dat het geheel uitstraalt.
De koepel boven mij fungeert als een soort lamp doordat het zonlicht in brede stralen erdoor naar binnen valt.

De stoom en warmte werken heerlijk relaxed voor lijf en geest.
Mijn spieren ontspannen zich en het zweten helpt straks om mijn lichaam te reinigen. Ik voel zelfs m’n ogen bijna dichtvallen.

En dan schudt Elif mij wakker, ik moet plaatsnemen op een matrasje op het plateau in het midden en zij begint met behulp van een speciale washand aan een flinke scrubbeurt om zo alle dode huidcellen van m’n huid te verwijderen.
De warmte, het geluid van druppelende kranen en plonzend water doen mij heerlijk doezelen en ik moet echt opletten dat ik niet inslaap val.
Dan volgt de schuimmassage. Elif haalt een soort van kussensloop door een bak met olijfzeep en knijpt dit vakkundig boven m’n lichaam uit, waardoor ik bedekt word door een grote laag schuim. Ik word van top tot teen heerlijk ingewreven en vervolgens weer afgespoeld.
Ik ga even terug naar mijn plaats naast het waterbekken om zelf nog wat water over mij heen te gooien met dat oranje plastic bakje. Elif komt daar mijn haar wassen en mijn hoofd masseren.

Dan, last but not least, de full body massage. Dertig minuten lang wordt mijn lijf vanaf mijn voeten tot aan mijn hoofd gemasseerd met behulp van olie en een paar vakkundige handen. Ze weet inmiddels van de zwakke plekken in mijn onderrug en linkerborst en houdt daar volledig rekening mee. Elif is een bijzonder vriendelijke vrouw die alles in het werk stelt om het mij naar de zin te maken waardoor ik mij volkomen aan alles kan overgeven.

En zo gaat het hier dus al 450 jaar lang. Buiten de hamam is veel veranderd door de eeuwen heen, maar binnen heeft de tijd min of meer stil gestaan en ik onderga het traditionele wassen en masseren nog altijd met hetzelfde ontspannen gevoel als de vrouwen van toen.
Wel is het bezoeken van het badhuis voor de Ottomanen destijds veel meer dan alleen noodzaak. Zo bezoekt een aanstaande bruid en haar vrouwelijke familieleden de dag voor de bruiloft uitgebreid de hamam. Hier wordt zij mooi gemaakt en zij zingen, eten en dansen samen.
Ook nu nog is het badhuis soms een belangrijk onderdeel van Turkse vrijgezellenfeesten.
Ook is in de Osmaanse tijd de hamam een plek waar vrouwen elkaar schoonheidsgeheimen verklappen en oefenen met lichaams- en haarverzorging. De speciale technieken van scrubben, harsen en opmaken worden van moeder op dochter doorgegeven. Het is een belangrijke plaats om elkaar te ontmoeten en bij te praten. Vrouwen onder elkaar en mannen onder elkaar. Na het baden blijft het in de relaxruimtes vaak nog lang druk, onder het genot van een glaasje kruidenthee, vers fruit of andere lekkere hapjes. Het baden is in die tijd nauw verbonden met het dagelijks leven. Een plek waar mensen van alle rangen en standen, jong en oud, rijk en arm, stedeling of dorpeling, vrij kunnen komen.

Na nog een kopje thee, kleed ik mij weer aan en met een perzik-zachte huid en een natte turquoise omslagdoek in een plastic tasje aan m’n arm sta ik na zo’n anderhalf uur weer als herboren op straat.
Schoon aan de haak om samen met Holger aan de laatste twee weken van onze tot nu toe prachtige rondreis door dit mooie land te beginnen.

“Leave or Stay?”

Dit is de titel van het beeld, dat je verwelkomt en je uitzwaait wanneer je het Baksı Müzesi-terrein oploopt. We komen het de afgelopen dagen, tijdens ons verblijf hier, regelmatig tegen.
Het is een werk van Hüsamettin Koçan zelf en maakt deel uit van de beeldentuin die rondom het museum is aangelegd.
Enkele werken vinden hun plek in de prachtig aangelegde en goed onderhouden tuin, andere staan verborgen ergens in de bergen.

Het beeld bestaat uit metalen twee mensfiguren, opgebouwd uit op elkaar geschroefde silhouetlagen. De één, de ‘leaver’ is onbehandeld, door de tijd heen gaan roesten en ziet er dus aangetast uit. De ander, ‘de stayer’, is roodgelakt, daardoor goed geconserveerd en gaat nog wel een flinke tijd mee.
Voor ons staat het beeld symbool voor ziekte en gezondheid maar ook voor jeugd en ouderdom. Twee innig met elkaar verbonden mensen die elkaar, binnen niet al te lange tijd gedwongen worden elkaar los te laten.

“Sivri sinek” van Ibrahim Koç, is een reusachtige metalen sculptuur dat een mug verbeeldt en staat op het platte dak van een lager gelegen bijgebouw.
De opengewerkte vleugels steken mooi af tegen de bergen, die als achtergrond fungeren.
Koç, opgegroeid eind jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw wat politiek ook toen al een moeilijke periode voor Turkije is, ziet de mug als symbool voor uitbuitend, bloedzuigend en irritant, eigenschappen die hij ook veel politici van toen maar zeker ook van nu toedicht.
Een gekleurd politiek statement dus.

In het grasveld staat een gift van het dorp Baksi aan het museum en is getiteld “Değirmen Oluğu”, dat uitloop van de molen betekent. Het heeft, wanneer je er frontaal naar kijkt, wel wat weg van een enorm aardvarken maar het is dus een silo, prachtig verkleurd doordat de verflagen zijn gaan bladderen en het materiaal daardoor is gaan roesten. Het kleurt prachtig bij het groen van het gazon.
Het ambachtelijke uit het dorp vermengen met moderne kunst, wat Hüsamettin Koçan zichzelf als doel stelt, komt door dit object goed tot uiting.

Achter het depot, in een door twee muren gevormde hoek, ontdekken we “Örümcek Aği” van Nur Gökbulut. Het is een spinnenweb, alleen zichtbaar als het zonlicht erop schijnt, waardoor het nauwelijks in z’n geheel is waar te nemen en je steeds een ander gedeelte te zien krijgt.
Het werk is door de kunstenaar ter plekke gemaakt en geschonken aan het museum.

Het staat in veel beschavingen symbool voor het gehele proces tussen leven en dood, de boom des levens. Vaak zien wij de cipres, die hier meestal model voor staat, afgebeeld op Osmaanse grafstenen, bij fonteinen, tegeltableaus en in geweven of geknoopte tapijten.

Hier, in de bergen rondom Baksı Müzesi, zien we de “Tree of Life”, gemaakt door Tuğral Selçuk. Een mooiere plek voor dit kunstwerk is ondenkbaar.

De grote metalen, ook door roest aangetaste schaar “Open your Eyes” genaamd, komt uit handen van Kemal Tufan.
Het is een eerbetoon aan de vroegere tapijtweefsters in het dorp, vermaard om hun geweldig mooi ontworpen vloerkleden. Helaas is ook dit ambacht zo goed als verdwenen.

Van dezelfde kunstenaar is “Submarine”, dat iets hoger gelegen zijn plek en aandacht opeist.
Vooral wanneer je boven staat en je laat je blik naar beneden glijden, krijg je, door de aanwezigheid van deze duikboot, het gevoel dat je op de bodem van de oceaan uitkijkt in plaats van op een wat lagergelegen heuvel. Zo’n suggestie kan een kunstwerk dus wekken.

“Weave of things” van de Amerikaan Mike Berg, heeft ook een relatie met het weven van tapijten. Hij voelt zich sterk verbonden met landen als Turkije, Oezbekistan en Armenië vanwege de eeuwenlange traditie die deze landen met dit ambacht hebben.
Berg maakt al een aantal jaren zelf kelims die hij beschouwt als abstracte, geometrische schilderijen. Ook creëert hij geborduurde schilderijen en hij ervaart draad en garen eigenlijk als een ander soort verf.
De driedimensionale metalen ‘tapijtrol’ hier in Baksı is, net als de schaar van Kemal Tufan, een ode aan de tapijtweefsters uit deze regio.

Dit is het derde en laatste blog dat wij wijden aan ons verblijf hier in het werkelijk paradijsachtige Baksı Müzesi en directe omgeving.
Veel dank aan Tüğçe en Fahriye die ons drie dagen lang in de watten leggen en op al onze vragen geduldig antwoord en uitleg geven. En misschien is het museumgebouw wel het mooiste kunstwerk van de beeldentuin.

Als een berg voegt het zich naar het aangrenzend berglandschap, waardoor het, ondanks zijn duidelijke aanwezigheid, toch nederig en bescheiden blijft.
Al met al is dit zonder twijfel het meest bijzondere museumbezoek dat we ooit hebben meegemaakt!
Leave or stay?, is de vraag.
“Kom, blijf, leer, produceer en keer dan terug naar waar je vandaan komt met alles wat je hebt geleerd en ervaren.
Deel dit met hen die je destijds achterliet.”
Dit is zijn woorden van Hüsamettin Koçan en dit is precies wat hij doet.
Wat zouden wij graag nog wat langer blijven maar wij moeten verder vandaag. Echter, één ding is zeker. Wij komen hier vroeg of laat weer naar terug!

De man met de zeis.

Als we langs de begraafplaats lopen vragen we ons af of hier niet meer mensen liggen, dan dat er in het dorp Baksı wonen.

Zo goed als de hele weg van het museum naar het dorp voert ons namelijk langs de graven, waarvan sommige bijna in de berm liggen.
Er is daar waar het terrein begint en eindigt een toegangspoort, maar zoals altijd en overal ontstaat er op een gegeven moment een olifantspaadje en dat is ook hier het geval, inclusief een laddertje om zo gemakkelijker op de hoger gelegen berm te komen.

Het dorp wordt kennelijk bewoond door slechts enkele grote families want er komen maar een stuk of tien achternamen voor op de grafstenen waaronder die van Hüsamettin Koçan, de initiatiefnemer van het Baksı Museum en afkomstig uit het dorp waarnaar wij op weg zijn.
Als de dodenakker eindigt en de boerenbedrijfjes beginnen loopt opeens de man met de zeis voor ons.
We kijken elkaar aan en fronsen onze wenkbrouwen. Hopelijk is dit geen slecht voorteken……

Maar dit blijkt allerminst het geval. Iedereen in het dorp is wel om een praatje verlegen en ook wij hebben alle tijd, dus veel mooie ontmoetingen.

Het is echt een dorp waar al heel lang geleden de tijd is stil gaan staan.
Veel panden lijken op instorten te staan, maar waarschijnlijk houdt alles elkaar in evenwicht, zolang er niets wordt afgebroken. Soms zien we zelfs nog een mini-huisje, gebouwd op het niet al te stevig ogende dak van een woning.

Kippen met kuikentjes scharrelen overal lekker in ’t rond en ik begrijp onmiddellijk waarom mijn gekookte eitjes ’s morgens bij ons ontbijt hier zo overheerlijk smaken.
Een ekster die alles vanuit de hoogte bekijkt, en een prachtige achtergrond heeft uitgekozen, laat zich gewillig op de foto zetten.

Van 1927 is hij.
Dit is zo ongeveer het eerste wat hij ons vertelt. En natuurlijk dat hij geboren en getogen is in Baksı. Het museum, ja, dat kent hij wel.
Wanneer de plannen vaste vorm aan gaan nemen, verkoopt hij immers het stuk van zijn land waar een deel van het complex op gepland is. Dus hij volgt de bouw destijds op de voet.

Maar het dorp is helemaal niet meer wat het is geweest. Van de honderdvijftig huizen dat het ooit rijk is, zijn er nu nog tachtig over en van de vijf leraren is er nu nog slechts één werkzaam. Bijna alle gezinnen met kleine kinderen verhuizen tegenwoordig naar de grote stad, waarmee hij in dit geval Bayburt bedoelt.
Hij heeft verderop nog een stukje land, waar hij het een en ander op verbouwt. Daar is hij naar op weg. tweeënnegentig jaar oud!
En terwijl hij zijn weg vervolgt richting moestuin, hoor ik achter mij een kinderstem en in één ogenblik zie ik het verleden en de toekomst van dit boerendorp voor mij.

De van “naylon” gemaakte schoenen, die we zien op de tentoonstelling Aşina, komen we hier veelvuldig tegen op onze wandeling door het dorp.

Soms zó schoongeboend dat ze als nieuw lijken, maar veel vaker in een staat die goed laat zien waarom dit schoeisel zo praktisch is in deze omgeving en pumps en open sandaaltjes geen optie zijn.  

Het is grappig om te merken dat je deze alledaagse gebruiksvoorwerpen toch met hele andere ogen bekijkt nu ze model hebben gestaan voor allerlei kunstinstallaties. We sjouwen verder zonder altijd goed te weten of we ons op een boerenerf of op de openbare weg bevinden maar dat is hier helemaal geen probleem. Veel meer dan eens worden we uitgenodigd voor een glaasje thee en zelfs enkele malen voor een heel ontbijt, maar aangezien dat wij dit al hebben genuttigd, slaan we deze uitnodigingen af.

Totdat een allervriendelijkste vrouw, die haar schapenwol aan het drogen is in de zon aangeeft dat zij aan een pauze toe is, een ayran gaat drinken en ons vervolgens uitnodigt op haar balkonterras voor ook een zelfgemaakte ayran, dat heerlijke, dorstlessende yoghurtdrankje. We klimmen gedrieën de trap op en ook haar schoonzus die opeens uit de lucht komt vallen, loopt met ons mee.

Perihan en Kısmet nodigen mij uit om op met hen op het bankje te gaan zitten en we kletsen honderduit. Ja, ook zij kennen het museum wel. Ik laat hen de foto’s zien die ik gisteren gemaakt heb en zij schaterlachen het uit wanneer ze zien hoe de bezems, schoenen en de oven-haken door de kunstenaar zijn gebruikt.

Kısmet gaat staan en doet een van de schoenen aan die bij de voordeur staan. Koket steekt ze haar voet wat naar voren en moedigt mij aan om er een foto van te nemen. Even het gevoel dat je op de catwalk staat, hoe fijn is dat!

Als we de ayran op hebben en ons rondje dorp af willen maken, staat ook Kısmet op. We moeten even mee naar haar schuurtje, waar in de vloer haar tandır-oven van ruim een meter diep is en waarin zij haar eigen lavaş maakt.

Ze opent de deksel, zodat wij erin kunnen kijken, maar ik zie slechts een groot zwart gat. De bijbehorende haak hangt aan de muur.

We vinden het geweldig om op deze manier de alledaagse gebruiksvoorwerpen waar we gisteren in ons blog over vertellen zo tegen te komen. Ik laat de dames beloven dat zij in het museum gaan kijken omdat ik ervan overtuigd ben dat zij er echt heel veel plezier aan zullen beleven.

Als we het dorp bijna uit zijn, zien we op de valreep nog een bakkal.
De verslavend lekkere honing bij ons ontbijt komt uit de omliggende dorpen en gisteren, tijdens onze wandeling, zien we regelmatig bijenkasten staan.

Boven een kastenveldje vliegt zelfs een zwerm prachtige, bontgekleurde bijeneters. We zien ze in de lucht, loerend naar een lekker bijtje en als ze er een ontdekken gaan ze er in een duikvlucht op af.

We hopen op honing uit dit gebied bij de bakkal en warempel, een paar plankjes aan de muur staan vol met potten Baksı honing.
We nemen twee potten mee om straks, als we weer thuis zijn, de zoete smaak die het bezoek aan dit dorp bij ons achterlaat opnieuw te kunnen proeven.
Oh, en de man met de zeis hebben we gelukkig niet meer gezien!

Kunst van gebruiksvoorwerpen.

Vanaf het moment dat we de museumzaal betreden, voel ik een glimlach opkomen die gedurende het bezoek aan de solotentoonstelling “Aşina” van Şakir Gökçebağ niet meer verdwijnt.

Aşina betekent zoveel als “dat wat je herkent, er mee vertrouwd zijn” en dat is exact het gevoel dat de installaties van deze kunstenaar oproepen.
Hij haalt alledaagse gebruiksvoorwerpen uit hun vertrouwde context en vervormt ze op een vaak humorvolle wijze tot een installatie.

Bij de eerste installatie is het gevoel van herkenning overduidelijk.
Sinds de start van de rondreis van Holger en mij, kijken we regelmatig naar de typisch Turkse bezem, maar dan wel met steel. Onze tuin ligt doorlopend bezaaid met bamboeblaadjes en enkele keren per week veeg ik de boel bij elkaar, tot groot genoegen van de katten die mij het mij bijna onmogelijk maken dit klusje te klaren.
Een bezem met steel dus. Zonder is geen probleem, maar met lijkt niet meer te bestaan.
Totdat we gisteren in Bayburt rondlopen en er één op ons pad komt.
Hoe toevallig is het dan, dat dit het eerste is wat we zien op deze tentoonstelling. Een wand vol met deze bezems, op een bijzondere manier met elkaar verbonden.

Een zaal verder zien we ze nogmaals, maar nu als een vlucht trekvogels.

Even verder ligt een hoop houtjes van wasknijpers tegen de wand, op de vloer. Aan de wand hangt een sculptuur, gemaakt van de metalen knijpveren. Ik weet niet of dit werk iets wil vertellen over de kwaliteit van de Turkse wasknijpers, maar herkenbaar is het in ieder geval wel.

De kraag van het overhemd vormt het middelpunt van een vierkant dat gevormd wordt door de rest van het tot een lange reep geknipte shirt en als een stropdas vanuit de kraag ontstaat. Door het gebruik van streepjesoverhemden voor deze installatie, ervaar je een visueel effect wanneer je van de ene naar de andere kant loopt.

De vier klokken die de verschillende tijdzones aangeven, zoals je deze vaak ziet bij de receptie van een hotel. New York, Parijs, Bejing en Sydney, dat zijn de wereldsteden waar het dan meestal om gaat. En Amsterdam natuurlijk, als je je in Nederland bevindt.
Hier doen de vier cirkels aan de muur, te zien op de foto hieronder, mij aan denken.

De haken op de wijzerplaat komen mij niet bekend voor, maar bij navraag blijkt het te gaan om haken welke gebruikt worden bij het bakken van lavaş in de tandır. Deze oven oogt als een waterput met diep beneden het altijd brandende vuur. Mocht de lavaş van de binnenwand naar beneden vallen, kan het brood met deze haak van verbranding gered worden.
ook worden ze gebruikt om stukjes vlees aan te prikken en zo in de tandır te roosteren.

Alsof ze een feestje vieren en samen op de dansvloer staan, de gootsteenploppers. Zo elegant, bijna op hun tenen, sommige nog zoekend naar evenwicht.
Of staan ze misschien, zo met hun koppies bij elkaar, gewoon te roddelen over deez’ en gene.
Hoe dan ook, het straalt in ieder geval iets intiems en een gevoel van saamhorigheid uit.
En dat is altijd goed, vind ik.

Door de tepsi’s juist niet met de middelpunten op elkaar te bevestigen, wekt deze installatie de indruk dat het hier om hele diepe, trechtervormige schalen gaat. Niets is echter minder waar. De randen zijn misschien een cm of vier à vijf hoog en dat is dan ook de werkelijke diepte.
Bij de diabolo-achtige figuur zijn de tepsi’s met de bovenranden van groot naar klein aan elkaar bevestigd. De roestvrij stalen bakblikken, gebruikt voor zoete en hartige gerechten, verliezen zo volledig hun functionaliteit.

Als ik het affiche van deze expositie vanaf een afstand bij de ingang van het Baksı Müzesi zie hangen, denk ik in eerste instantie dat het om een borduurwerk in kruissteek gaat en Holger wil al een foto voor Jan uit Amsterdam maken omdat hij fan is van alles wat met borduren te maken heeft.
Dichterbij gekomen blijken het helemaal geen kruissteekjes maar plastic schoenen te zijn. Deze schoenen worden veelal op het platteland gedragen waar de wegen niet allemaal verhard zijn en het na een fikse regenbui flink modderig kan worden. Dit soort schoenen zijn goed wasbaar en behoeven niet telkens een poetsbeurt, wat met lederen exemplaren wel het geval is.
Overigens denk ik wel dat het de bedoeling van Gökçebağ is dat de associatie met borduren gemaakt wordt.
Handwerken in het algemeen is ooit ook in Turkije een uiterst nuttige bezigheid voor meisjes en vrouwen geweest.

Al met al is het een vrolijk makende expositie die wij vandaag zien, van deze nationaal en internationaal bekende Turkse, in Hamburg wonende kunstenaar.
De door Gökçebağ gebruikte vertrouwde, alledaagse voorwerpen die specifiek zijn voor deze regio, krijgen een geheel nieuwe vorm doordat hij breekt met de werkelijke en praktische betekenis, zonder dat deze vergeten of totaal onherkenbaar wordt. Het raakt werkelijk de ziel van Anatolië.Hierdoor is het ook voor de bewoners uit het dorp Baksı en omgeving erg leuk om naar deze tentoonstelling te komen kijken.
Er is altijd iets vertrouwds en eigen wat men herkent en wat drempelverlagend werkt om naar kunst te komen kijken en dat is precies het doel dat de initiatiefnemer van dit museum wil bereiken.

Een te goed bewaard geheim.

Als we vanmorgen in Bayburt op jacht gaan naar een paar postzegels kunnen we niet bevroeden dat we aan het einde van de middag een velletje van 25 stuks met onze afbeelding erop bezitten. In Bayburt zelf stuurt de PTT-bediende ons een beetje van het kastje naar de muur. Ook hier is Tante Pos kennelijk niet meer zo populair sinds de social media haar taken hebben overgenomen en je de hele wereld over belt voor een appel en een ei.
Maar uiteindelijk weten we onze drie benodigde zegels te bemachtigen.

Vanuit Bayburt rijden we via een kronkelweggetje en langs de oevers van de Çoruh naar de misschien wel grootste verrassing van onze reis.

Zoals altijd zorgt Holger ervoor dat we niet te ver verwijderd van datgene dat we de volgende dag willen bekijken, overnachten. Zo lief en zorgzaam!
Maar deze keer overtreft het werkelijk alles! Het voor ons totaal onbekende Baksı Museum staat op ons programma voor het komend weekend en we verblijven nota bene óp het museumterrein, waar ook een aantal gastenverblijven zijn. we hoeven slechts het tuinpad over te steken en we staan voor de voordeur van het museum.
Onze kamer heeft een uitzicht over de hele Çoruh-vallei, zo mooi en imponerend zoals alleen bergen en rivieren dat kunnen zijn.

We zijn de enige gasten hier. Er wordt vanavond voor ons gekookt, morgen gaan we het museum bezoeken en zondag de omliggende beeldentuin. Het is een plek, bijna té mooi om waar te zijn.
Tijdens de ontvangst op het buitenterras met thee, ontmoeten we ook een PPT-beambte uit Bayburt, die hier voor een klusje is. Wij vertellen over onze moeizame zoektocht naar postzegels die ochtend en hij biedt ons aan om een unieke postzegel voor ons te maken. Zo gezegd zo gedaan.

Hij legt ons vast op de gevoelige plaat bij de museumingang, we lopen mee naar een kantoortje voor het gebruik van een computer, vullen wat formulieren in aangaande de privacy en na een halfuurtje zijn we in het bezit van het beloofde velletje officiële zegels, met Holger en mij als een soort koninklijk echtpaar afgebeeld op de niet-plakkant.
Waarde 1.2 Turkse lira, zeg maar zo’n 18 cent, per stuk.

Wat is er te vertellen over het ontstaan van het Baksı Museum?
De in Istanbul wonende en werkende Hüsamettin Koçan groeit als kind op in het agrarische bergdorpje Bayraktar, in vroegere tijden Baksı genaamd. Het is gelegen op steenworp afstand van de Baba Tepe, waar nu het Baksı Museum op staat, en heeft nog geen 500 inwoners.
Hüsamettin verloochent zijn afkomst niet, ook al is hij nu een kunstenaar en professor van naam in de schone kunsten.

Hij wil iets terug doen voor zijn inmiddels overleden vader én voor zijn dorp. Maar wat?
Het idee is een soort van sociaal project op te zetten voor het dorp maar zijn echte droom is een museum voor moderne kunst te bouwen op de heuvel waar hij als kind aan het eind van de dag altijd zit, om op de komst van zijn vader te wachten die terugkeert van zijn werk. Een droom, die hem niet loslaat.
En hij besluit die heuvel, van waaruit je de Çoruh-vallei dus zo mooi kunt overzien, te kopen en noemt het Baba Tepe.

Hij schrijft fondsen aan, zoekt sponsors uit het bedrijfsleven en zijn droom begint langzaamaan werkelijkheid te worden.
Tien jaar is er aan het project gewerkt en gebouwd en natuurlijk ontstaat er tijdens het proces een flink geldtekort.
Ruim honderd kunstenaars schieten Hüsamettin te hulp en stellen allemaal een kunstwerk ter beschikking dat geveild wordt.
Met deze opbrengst klopt het investeringsbudget en gaan de deuren van het Baksı Museum uiteindelijk in 2011 open voor publiek.

Maar dit museum is meer dan alleen een plek waar je hedendaagse kunst kunt bewonderen. Het concentreert zich ook op de sociale en economische problemen van het dorp en de omgeving. Vanaf de start is de hoop van Hüsamettin dat het museum grote aantallen bezoekers trekt en daarmee de ontwikkeling van de regio stimuleert.
Ooit is het dorp beroemd om zijn gunstige ligging aan de Zijderoute en om zijn wevers en pottenbakkers. Het wordt zelfs genoemd in de reisverhalen van Marco Polo. Maar de traditionele beroepen zijn zo goed als verloren en de Zijderoute is al lang verleden tijd. De ambachtelijke kennis die het dorp ooit rijk is, vertrekt samen met al de inwoners die naar de grote steden verhuizen. Met de aanwezigheid van het museum hoopt Hüsamettin ambachten weer nieuw leven in te blazen. Het museum combineert dan ook de in de tentoonstellingen getoonde moderne kunst met tradities en waarden uit zijn jeugd en de exposerende kunstenaars nemen dit desgevraagd ook als uitgangspunt.
Daarnaast wil hij moderne kunst naar het platteland brengen en werkgelegenheid scheppen in de directe omgeving van zijn geboortedorp.

Maar of het museum een heel lang leven beschoren is, betwijfelen wij.
In de wintermaanden, als de sneeuw metershoog ligt, is Baba Tepe niet of nauwelijks te bereiken. en is het dus gesloten En nu, eigenlijk de ideale tijd van het jaar, zijn wij de enige bezoekers en als we tijdens de ontvangstthee met de medewerkers praten, blijkt al snel dat het bezoekersaantal verre van voldoende is.
Het is toch wel bizar dat, hoewel hier intussen al zo’n acht jaar exposities georganiseerd worden, wij en velen met ons nog niet eerder iets horen van of lezen over deze parel onder de musea.
Goede nationale én internationale aandacht voor meer, veel meer naamsbekendheid is dan ook bepaald geen overbodige luxe voor dit ongewild té goed bewaard geheim!
Wij proberen met ons blog hier een bescheiden aandeel in te leveren.

Zielloos Erzincan.

We schrijven 26 december 1939, tweede kerstdag.
Erzincan is dan het toneel van de ernstigste aardbeving uit de Turkse geschiedenis die aan ruim 33.000 mensen het leven kost.
De waarnemend gouverneur van de gelijknamige provincie meldt op de militaire radio dat de stad na de beving, met een kracht van 7,9 op de schaal van Richter, volledig in duisternis is gehuld terwijl het zo’n 15 graden onder nul is.
De militaire radio is de enige verbinding met Erzincan die nog functioneert en de vali doet een dringende oproep tot het sturen van artsen en bulldozers.

De stad blijkt volledig van de kaart geveegd en moet na het bergen en begraven van zoveel doden en het ruimen van al het puin van begin af aan opgebouwd worden. In de daaropvolgende decennia werkt men hier hard aan maar de ziel van de stad is voorgoed verdwenen.

Vandaag, als wij vanuit Tunceli via een indrukwekkende route door de bergen in Erzincan aankomen, zullen wij de schoonheid van deze stad dan ook niet vinden in oude, historische gebouwen of smalle, schaduwrijke steegjes waar zich aan weerszijde oude Ottomaanse huizen bevinden.
Maar ook in de sfeer- en fantasieloze nieuwe stad, die na de alles verpletterende natuurramp door de jaren heen is ontstaan, ligt de schoonheid bepaald niet op straat.

Gelukkig wil de compromisloze en modernistische architect Danyal Tefvik Çiper, enorm geïnspireerd door Frank Lloyd Wright, daar iets aan doen en hij ontwerpt in 1992 de Terzibaba Camii, om zo de stad een boost te geven op architectonisch gebied.
Het is een niet te missen gebouw als je Erzincan binnenrijdt.
Een enorme koepel en twee ogenschijnlijk rechthoekige minaretten, die echter bij nader inzien bijna plat en zwaardvormig zijn, bepalen het uiterlijk van deze moskee met het bijbehorende complex dat bestaat uit theehuizen, markten, een businesscentrum, een enorm parkeerterrein en een sociaal voorzieningencentrum.

Het is de bedoeling dat met de opbrengst uit al deze nevenactiviteiten het onderhoud aan de moskee wordt bekostigd.
Of dat lukt betwijfel ik, want zo op het oog is er aan de buitenzijde nu al sprake van achterstallig onderhoud.
De gang van zaken rond de bouw van de moskee is destijds eigenlijk al een teken aan de wand. Vanwege financiële problemen duurt deze namelijk twaalf jaar. Bewoners van de stad moeten uiteindelijk zelf geld ophoesten om de bouw doorgang te laten vinden en als het dan eindelijk af is, kan er niet eens meer een officiële en feestelijke opening vanaf.
Tijdens de Ramadan van 2002 gaat het complex geruisloos open en wordt er voor het eerst in de Terzibaba Camii gebeden. Hoewel de wat conservatieve bevolking het in eerste instantie een té moderne bidplaats vindt, omarmt met uiteindelijk de moskee met hart en ziel.

De entree van de moskee is wat armoedig en ziet er erg verwaarloosd uit. Voordat we de trap opgaan, doen we onze schoenen uit die we, boven aangekomen, in de daarvoor bestemde schoenenkast kunnen zetten.

Eigenlijk verwacht ik een enorme hoeveelheid bezoekers en dus ook volle schoenenkasten, maar niets is minder waar.
Slechts één enkele man, afkomstig uit Istanbul en net als wij benieuwd naar dit bouwkundige hoogstandje bevindt zich in de adembenemende en enorme ruimte.

De semitransparante koepel is gigantisch. Vierduizend moslims kunnen tegelijkertijd onder dit ronde dak hun gebeden prevelen en de totale zaal heeft een capaciteit van zevenduizend personen.

De prachtig hemelsblauwe tapijten zijn voorzien van gele sterren en wekken de suggestie van de lucht.

De ramen zijn zó geplaatst dat de rondom het gebouw gelegen bergen van binnenuit goed te zien zijn zodat de natuur als het ware de moskee binnenkomt.

Het is een lichte en open ruimte en het interieur heeft een eenvoudige, luchtige en lichte uitstraling. In eerste instantie denk ik dat de mihrab en de preekgestoeltes van rotan gemaakt zijn, door de vorm en de kleur maar het blijkt metaal te zijn.

Een verdieping hoger bevindt zich de bidruimte voor de vrouwen want ook al is het een moderne moskee, de geiten blijven ook hier gescheiden van de bokken.

De vrouwenafdeling heeft altijd iets gezelligs vind ik. Her en der liggen bidkleedjes en hoofddoeken en ook de bidkettinkjes hangen en liggen overal verspreid. Maar de dames van Erzincan zijn druk vandaag want ook deze ruimte is volkomen leeg en verlaten.

De Terzibaba Camii is niet alleen licht van binnen ook voor de constructie maakt de architect gebruik van de meest licht mogelijke materialen.
Çiper, geboren in 1932, weet maar al te goed wat een aardbeving teweeg kan brengen.
Erzincan is nu eenmaal gelegen in een prachtig bergachtig gebied en dan ligt een aardbeving altijd op de loer. Mocht zich opnieuw een ramp voordoen zoals in 1939, is de kans klein dat de Terzibaba Camii instort want dat heeft Çiper bij zijn ontwerp en materiaalkeuze op alle mogelijke manieren geprobeerd te voorkomen.
Dit, in combinatie met de hulp van Allah, moet de gelovigen uiteindelijk voldoende veiligheid bieden.

De victorie begint in Dersim.

Vandaag komen we aan in Dersim, Koerdisch voor ‘zilveren poort’. Echter, in het kader van het gebruik van zuiver Turks, wat de overheid sinds de start van de republiek beoogt, doopt men in 1937 de stad de stad om tot Tunceli, Turks voor ‘bronzen hand’.
Eind maart dit jaar wordt hier de communistische Mehmet Fatih Maçoğlu tot nieuwe burgemeester gekozen, in een spannende verkiezingsstrijd met de traditionele partijen. Een van zijn verkiezingsbeloften is de stad haar oude naam weer terug te geven, dus gebruiken wij deze naam alvast in ons blog.

Wie is deze Maçoğlu, de nieuwe burgemeester van Dersim? De afgelopen vijf jaar is hij al burgervader in Ovacık, een plaatsje gelegen in de door natuurschoon overladen Pülümür-vallei.
De regio Dersim ziet zich een paar jaar terug geconfronteerd met Turks-Koerdisch geweld en te midden van al dit geweld ontpopt Maçoğlu zich tot een populaire en hardwerkende burgemeester. Zo richt hij een collectief op dat onder meer bonen en kikkererwten op de vruchtbare valleigronden verbouwt.
Samen met de ‘communistische honing’, het eerste zeer succesvolle product van dit collectief, vinden de organisch verbouwde producten hun weg naar de keuken en maag van de lokale bewoners, maar ook naar andere delen van het land.

In Dersim wonen voornamelijk Alevitische Koerden. Alevieten vormen een door Ottomaanse en Turkse soennitische overheden gediscrimineerde minderheidsgroep en helaas vindt deze discriminatie ook vandaag de dag nog altijd plaats. De bevolking is op bijna elk punt zeer wantrouwend vanaf het moment dat de centrale overheid in beeld komt.
Onlangs zijn immers in de steden Diyarbakir, Van en Mardin de democratisch gekozen burgemeesters nog afgezet en vervangen door vertrouwelingen van Erdoğan. De bevolking van Dersim wil absoluut niet dat haar hetzelfde overkomt. Ze houden van hun net gekozen burgemeester en zij besluiten tot een sit-down actie met de boodschap “Blijf van onze keuze af!” De demonstranten, zowel jong als oud, wisselen elkaar in ploegjes af en kunnen het zo een tijdlang volhouden. Indirect is het ook een steun in de rug voor Van, Mardin en Diyarbakir.

Lia en ik bezoeken het gemeentehuis om zo meer te weten te komen over Dersim en haar achtergronden. Op onze weg hier naar toe, lopen we langs een muur van boeken wat symbolisch is voor deze provincie.
Sinds jaar en dag lezen mensen in Turkije namelijk nergens zo veel boeken als hier.

Bij de ingang van het gemeentehuis staat een sobere tafel met daarop een aantal boeken getiteld “De communistische burgemeester”.
Natuurlijk schaffen we een exemplaar aan. Het is het verhaal over Maçoğlu, als burgemeester van Ovacık. De opbrengst van het boek komt geheel ten goede aan een fonds dat onder meer het onderwijs aan armlastige kinderen in Ovacık stimuleert en bekostigt. Goed besteed geld dus!
Alles lijkt te kloppen hier, het ideaal regeert!

Ook in het stadhuis waan je je warempel in de bibliotheek. Overal zien we gevulde boekenplanken en de bewoners van Dersim mogen deze boeken gratis lenen, zo vaak en zo veel als zij willen. Het aanbod is heel divers, voor ieder wat wils. Kinder- en geschiedenisboeken, maar ook romans, onder andere van Ayşe Kulin, Elif Şafak en Iclal Aydın, auteurs waar Lia al heel wat vertaalde boeken van gelezen heeft.
Lezen is ontwikkeling en ontwikkeling is vooruitgang! Dat begrijpt men hier in Dersim maar al te goed.

Op het gemeentehuis praat ik met Özlem, een medewerker van de gemeente. Zij geeft een hoopvol beeld van de toekomst nu Maçoğlu is gekozen. Misschien is wel de treffendste uitspraak dat zij wijst op haar moderne zomerjurk en zegt dat vrijheid van kleding nu volledig de norm is.
Tijdens zijn campagne voor het hoogste ambt in Tunceli kondigt Maçoğlu al aan in de grote stad net zo te werk te willen gaan als de laatste vijf jaar in Ovacık en dat betekent transparant, mensgericht, dienstbaar en wars van overbodig protocollen. Direct na zijn verkiezing sneuvelt de betonnen veiligheidsmuur voor het gemeentehuis als teken dat alle inwoners welkom zijn op zijn kantoor.
Deze openheid zie en voel je als je binnen in het stadhuis bent.
Geen bewaking of controle, allerlei soorten mensen lopen in en uit en iedereen wordt gelijkwaardig behandeld. Vriendelijk en behulpzaam. Deuren van kamers en kantoren staan gastvrij open wanneer er niets gaande is.
Een oude vrouw, met een overduidelijke beperking, wordt na haar gesprek met veel zorg en empathie door haar gesprekspartner naar de uitgang beneden begeleidt, arm in arm.
Op de dag van zijn inauguratie krijgt Maçoğlu als eerste te maken met een onaangename verrassing. Uit de boekhouding, die de afgelopen twee jaar gerund wordt door een uit Ankara aangestelde bewindvoerder, komen flinke schulden naar voren. Voor Maçoğlu reden te meer om ook in Tunceli een spandoek met de gemeentebegroting aan het gemeentehuis te hangen. Een vorm van transparantie die in Turkije zeer uitzonderlijk is en zonder de aanwezigheid van de naar beneden gehaalde muur is het extra goed zichtbaar voor alle inwoners.

De eerste communistische burgemeester van een grote gemeente in Turkije. Opmerkelijk.
Hij wint de verkiezingen met een grote voorsprong op de gebruikelijke oppositie- en regeringspartijen. Vooral omdat hij een levend bewijs belichaamt dat uitgangspunten van transparantie, dienstbaarheid en mensgerichtheid mogelijk en effectief zijn. Hij is geloofwaardig en dit beloont de kiezer in de stembus.
De bevolking is trots op hem en dat blijkt ook uit onze ontmoeting met twee gepensioneerde mannen die in Nederland wonen maar hier hun oorsprong hebben. We raken met hen aan de praat, vanzelfsprekend onder het genot van een glaasje thee. Açık olsun, in deze stad wel heel toepasselijk.

Samen met de inwoners van Dersim hopen wij dat hij de grote verwachtingen waar gaat maken. Als beloning voor zijn kiezers, maar zeker ook als voorbeeld voor heel Turkije opdat men over enkele jaren kan zeggen, “In Dersim begon de victorie!”
Een vredige aanwijzing daartoe zagen we al toen we de stad binnenreden.

Harput, de oorsprong van Elazığ.

Als we het idyllische, wat slaperige dorp Harput binnenlopen, is er niets dat wijst op het feit dat hier nog geen honderd jaar geleden achthonderd winkels, tien moskeeën, acht kerken en idem bibliotheken, negentig hamams, twaalf karavanserais, tien religieuze hogescholen en één fort staan.
Van veel gebouwen rest niet veel meer dan wat fundamenten en stukjes muur maar er blijft zeker genoeg over, wat het brengen van een bezoek aan dit eeuwenoude stadje de moeite waard maakt.
Al is het alleen maar om de talloze slingers met pepers, die overal te drogen hangen aan muren en hekken, voor ramen en waarvan soms de schaduw wel wat weg heeft van een Arabische tekst.

Harput, wat Armeens is voor ‘rotsachtige vesting’, wordt door de eerste Armeense koningen zo’n tweeduizend jaar terug gebouwd onder de rokken van de flinke heuvel waarop het fort staat en is ongeveer vijf km verwijderd van het huidige Elazığ.

De klim omhoog naar het fort slaan we even over. Wel kunnen we het duidelijk zien liggen en dat is voor dit moment voldoende.
Een echte blikvanger in dit hooggelegen dorp met mooi uitzicht over Elazığ, is de Ulu Camii met een meer dan scheve minaret en binnenin voorzien van fraaie, elegante bogen, die de binnenruimte in kleinere bidruimten verdelen.

De moskee stamt uit 1157, het Selcuk-tijdperk, en is de eerste met een openlucht binnenplaats. Hoewel de minaret verre van dezelfde bekendheid geniet als zijn rivaal, de Toren van Pisa, is het toch zeker interessant genoeg om een bezoek aan te spenderen. Het hellen van de toren, de laatste meting geeft 6,8 aan, wordt vermoedelijk veroorzaakt door verschuiving van de bodem en enkele aardbevingen.
Om omvallen te voorkomen, staat de minaret al geruime tijd in de steigers en is hij voor het grootste deel ingepakt.
Wanneer hij weer in volle glorie te zien is, kan helaas niemand ons vertellen. Voorlopig gaat alle aandacht en geld naar de nieuwbouw van een giga religieus centrum, pal naast de o zo oude en krakende Ulu Camii.

Om in de ondergrondse graftombe van Arap Baba te komen, moet je je wel heel klein maken. Het is namelijk geen sinecure om je door een deurtje te wurmen dat niet hoger is dan, pak ‘m beet, driekwart meter. Holger, voor geen kleintje vervaard, laat zich niet kisten, zéker als het om een graftombe gaat en kruipt met camera en al naar binnen om voor mij de kist, zoals altijd met een groene doek bedekt, vast te leggen.

Er komt ook een moeder met haar dochtertje aan. Het kind huppelt met het grootste gemak via het deurtje de graftombe in maar de moeder, die de acrobatische toeren net als ik ook niet ziet zitten, lost het op door voor de ingang een schietgebedje te doen. Ik kniel wel even om een glimp van de graftombe op te vangen maar het gebedje, dát laat ik schieten.

Bovengronds bevindt zich de bij de graftombe behorende moskee. Het is werkelijk een plaatje! De kleuren van de resterende tegels rond de mihrab, kleuren heel harmonieus bij de tapijten, iets wat niet veel voorkomt.

In de in de dikke wanden gemetselde nissen liggen bidkleedjes maar ook doeken en shelvars opgestapeld voor de ongelovige vrouwelijke bezoekers. Maar er is op dit moment niemand aanwezig dus neem ik zelf genoegen met het uitdoen van mijn schoenen bij de ingang. Allah ook, hoop ik.

Andere nisjes doen dienst als allerliefst boekenkastje, ik denk een overblijfsel van de acht bibliotheken die het stadje ooit rijk is.

In het voorportaal van de Nadir Baba Türbesi, vanuit waar je de graftombe kunt betreden, zit in de hoek een stokoud vrouwtje, met de linkerpols in het gips en haar hoofd in de handen.

Als ik bij haar ga zitten, steekt zij onmiddellijk van wal. Onlangs is zij gevallen met als gevolg een gebroken pols en een voortdurend aanwezige hardnekkige hoofdpijn. Ondanks dit, blijft zij zich kwijten van haar dagelijkse taak, het schoonhouden van de directe omgeving van Nadir Baba Türbesi. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.


We geven haar wat geld en ik zeg haar dat zij prachtige tulpen op haar rok heeft.
Daar knapt zij onmiddellijk zienderogen van op.

Bij het afscheid wens ik haar veel beterschap. Zij geeft mij een aai over mijn bol, twee zoenen en de zegen van Allah en daarmee is mijn licht schuldgevoel over het onbedekt betreden van de Arap Baba Camii acuut verdwenen.

Walnootwinterkost.

Elazığ staat bekend staat om zijn orcik. Dat weten we, dus bezoeken wij vanmiddag de kapalıçarşı in deze stad.
Elazığ komt niet voor in gerenommeerde reisgidsen en dat betekent dat de plaatselijke markten allesbehalve toeristisch zijn en de producten authentiek.

Het is een kleine, knusse en rustige markt en de klanten lopen heel gericht naar de kraam waar zij hun inkopen willen doen.
Het aanbod bestaat voornamelijk uit vlees, inclusief schapenkoppen die mij met ontblote tanden grijnzend aankijken, versgemalen koffie, verpakt in mooie dozen en blikken, gedroogde kruiden in de vorm van piramides en allerlei zoetigheid, waarvoor als basis de dus lokale walnoot wordt gebruikt.
Aan de randen van de markt vinden we wat vis, huishoudelijke artikelen en plastic speelgoed, voornamelijk afkomstig uit China, dan wel Taiwan.

Maar wij komen voor de “walnootworst”, in het Turks orcik, dé specialiteit van Elazığ. We kennen het natuurlijk wel uit Nederland, maar die is vaak wat taai en té zoet van smaak.
De kramen hangen en liggen er hier vol mee. Het ziet er niet heel aantrekkelijk uit, maar daar laten wij ons niet door misleiden. Het moment dat we de markt betreden, knipt de eerste de beste orcik-verkoper een stukje voor ons af en na de eerste hap zijn we verkocht!

Gisteren horen we al dat het nog een week of vier duurt voordat de walnoten eetbaar zijn en dus geoogst kunnen worden.
Vanaf dat moment start dan ook de huisvlijt in een aantal dorpen rondom Elazığ in de Harput-regio, waar de echte, met uitsluitend natuurlijke ingrediënten gemaakte orcik vandaan komt. Oktober en november zijn de productiemaanden van dit gezonde en energierijke dessert wat bedoeld is voor de koude winteravonden, samen met een glaasje hete, sterke thee.
De winters hier zijn immers uiterst streng en dan kan zo’n zwaar  en voedzaam toetje geen kwaad.
Het bereiden van dit goddelijke nagerecht is erg arbeidsintensief.
Het begint met het persen van een bepaald soort druiven, ook uit dit gebied afkomstig.

Het druivensap dat het persen oplevert, kookt men vervolgens in, waardoor uiteindelijk de zo geheten pekmez overblijft. Dit zou je in het Nederlands druivenstroop kunnen noemen, bijna vloeibaar bij verhitting, dik en stroperig na afkoeling.

Dit beschrijf ik nu even in één zin, maar het is een uiterst tijdrovende klus, steekt erg nauw en mislukken ligt steeds op de loer.
De enige toevoegingen zijn wat bloem en sodium-carbonaat. Geen suiker en smaak- of kleurstoffen.

Intussen rijgen de vrouwen, met behulp van een fijne naald, de inmiddels gekraakte en gehalveerde walnoten aan een katoenen draad. Vaak liggen de noten de nacht ervoor in de week, zodat ze tijdens het rijgwerk niet breken.

De strengen worden vervolgens aan boomtakken of stokken gehangen en dan begint het. De worstbereiders dompelen de walnootslingers in de hete pekmez en hangen ze vervolgens te drogen in de zon.

Deze handeling wordt dan enkele malen herhaald totdat de gewenste dikte is bereikt. Dompelen, drogen, dompelen, drogen.

In Nederland gebruiken wij deze techniek voor het maken van de zogenaamde dompelkaarsen.
Uiteindelijk brengt men de walnootworsten naar de grote stad, waar zij onder andere op de kapalıçarşı die wij vandaag bezoeken, te koop aangeboden worden.
Orcik, 25 Turkse lira, lezen wij op het bordje.

Wij vallen als een blok voor de diep donkerbruine variant. En ook al is deze inmiddels bijna een jaar oud, hij smaakt verrukkelijk en we nemen er wat van mee naar Deventer. Niet dat wij tegenwoordig nog van die strenge winters hebben maar vandaag smaken ze ons ook prima, terwijl het nog altijd tegen de veertig graden is.
Of ze de hitte in de auto overleven, dat merken we wel bij thuiskomst. Die gok nemen we graag.

Dichte en open deuren.

Eigenlijk is afgelopen vrijdag Bitlis ons einddoel maar op het moment dat we door het oude centrum rijden, komt de regen werkelijk met bakken uit de hemel en zien we ons genoodzaakt door te tuffen naar Tatvan dat zo’n 20 km verder ligt.
Vandaag besluiten we terug te gaan om alsnog de historische highlights van Bitlis te gaan bekijken.
Zo is daar de 16de eeuwse Şerefiye Külliyesi, een indrukwekkend moskee-complex met medresse en hamam, opgetrokken uit donker zandsteen.

Minstens even prachtig moet de Ihlasiye Medressi zijn met zijn opvallende torentjes. En dan hebben we nog de Ulu Cami en de Şeref Han op ons lijstje staan.

Het is zondag, dus een parkeerplek is snel gevonden. We plaatsen onze auto onder de tarieven die op de muur gekalkt staan. Een kleine auto 8 en een grote 10 Turkse lira. We zijn benieuwd hoe de parkeerwachter onze Toyota inschat, maar het is nog vroeg in de ochtend dus deze is nog in geen velden of wegen te bekennen.
Via trappen en smalle donkere straatjes bereiken we de citadel. Deze staat op een rots die, als je beneden staat, imposant boven de stad opdoemt.

Tijdens de klim naar boven, hoor ik een stem die mij naroept. Ik draai mij om en daar staat een wat oudere vrouw in haar deuropening.
Ik roep op mijn beurt Holger, die al een stukje vooruit loopt en volg de vrouw door de deur naar haar binnenplaatsje. Ze hurkt bij een teil met pruimen, afkomstig van de boom die tevens voor heerlijke schaduw zorgt, en vult een plastic zak met de, naar later blijkt, nog keiharde vruchten.

Hier, voor jou, zegt zij, omdat het zo warm is en zij overhandigt mij de tas met inhoud. Veel te veel, protesteer ik, maar zij houdt vol en uiteindelijk bereiken we een compromis. Ze stopt zo veel mogelijk pruimen in mijn beide broekzakken en ik geef haar de plastic tas met inhoud terug. Holger is inmiddels ook gearriveerd en met veel plezier poseert oma mét kleindochter en mij voor een plaatje.

Later leg ik de vruchten op de vensterbank van een bijgebouwtje op een piepkleine begraafplaats. Hier kunnen ze rijpen en hopelijk vindt iemand ze die van harde of rijpe pruimen houdt.

Helaas blijken de historische trekpleisters van Bitlis allemaal gesloten. Óf er wordt gerestaureerd, óf verbouwd, óf de sleutelbewaarder is in geen velden of wegen te bekennen. De temperatuur is intussen al flink opgelopen en Bitlis straalt niet voldoende uit om er langer te blijven. Het heeft al met al wel wat weg van een geïsoleerd 19de-eeuws Engels fabrieksstadje. Vies, verwaarloosd en lichtelijk deprimerend.
Hiermee bedoel ik zeker niet dat we spijt hebben. Alles is tenslotte de moeite waard onderweg en aardige, mooie mensen vinden we overal.

Ook later in de middag, wanneer we, na een mooie wandeling langs de oever van het Van-meer, via achterafstraatjes teruglopen naar ons hotel.
Ik zie rook omhoog stijgen en waar rook is, is altijd vuur.
Het blijkt te gaan om ketels op het vuur, gewoon in het open veld.

Ik neem wat foto’s en even later verschijnt de vrouw des huizes die benieuwd is naar wat ik doe. Ik leg het haar uit en zij begint in een van de ketels te roeren en geeft aan dat ik meer foto’s mag maken.

Omstandig legt zij mij uit dat er tomaten en pepers in de gesloten glazen potten zitten die in het kokende water liggen. Een soort wecken dus, om zo een voorraad ingrediënten te hebben voor “menemen” tijdens de barre, strenge winters die dit gebied kent. Menemen is een typisch Turks eiergerecht dat vooral bij het ontbijt wordt gegeten.

Ze verdwijnt om even later terug te komen met haar hele familie en op een gegeven moment worden Holger en ik omringd door vier generaties. Ze nodigen ons uit om hun moestuin te bekijken, iets wat we natuurlijk niet afslaan.
Marul, peterselie, appel- en perenbomen, bonen, en veel, heel veel tomaten.
Er staat ook een boom met vruchten die ik niet ken. Cevizler, legt een van de vrouwen mij uit, maar dit woord ken ik niet. Holger staat een eind verder met de heer des huizes te praten, maar geen nood. Zij plukt een vrucht, pakt een bijl die binnen handbereik ligt, hakt ‘m behendig doormidden en toont het binnenwerk in haar door de henna oranje gekleurde handen.

Ah, natuurlijk, de walnoot. Logisch, want deze streek staat bekend om zijn walnotenbomen. Ondertussen plukt een van de andere vrouwen een bosje peterselie voor mij.

Bij het afscheid belooft Holger voortaan bij het eten van tomaten aan deze moestuin met zijn ontzettend aardige en gastvrije eigenaressen te denken.
En in plaats van oude, gesloten gebouwen staat de dag vandaag zo maar in het teken van mooie ontmoetingen met open, gastvrije en gulle mensen, bereid om veel met ons te delen.

Oh ja, en de auto blijkt te vallen in de categorie klein.
Maar we betalen voor groot, bij gebrek aan wisselgeld!