Harput, de oorsprong van Elazığ.

Als we het idyllische, wat slaperige dorp Harput binnenlopen, is er niets dat wijst op het feit dat hier nog geen honderd jaar geleden achthonderd winkels, tien moskeeën, acht kerken en idem bibliotheken, negentig hamams, twaalf karavanserais, tien religieuze hogescholen en één fort staan.
Van veel gebouwen rest niet veel meer dan wat fundamenten en stukjes muur maar er blijft zeker genoeg over, wat het brengen van een bezoek aan dit eeuwenoude stadje de moeite waard maakt.
Al is het alleen maar om de talloze slingers met pepers, die overal te drogen hangen aan muren en hekken, voor ramen en waarvan soms de schaduw wel wat weg heeft van een Arabische tekst.

Harput, wat Armeens is voor ‘rotsachtige vesting’, wordt door de eerste Armeense koningen zo’n tweeduizend jaar terug gebouwd onder de rokken van de flinke heuvel waarop het fort staat en is ongeveer vijf km verwijderd van het huidige Elazığ.

De klim omhoog naar het fort slaan we even over. Wel kunnen we het duidelijk zien liggen en dat is voor dit moment voldoende.
Een echte blikvanger in dit hooggelegen dorp met mooi uitzicht over Elazığ, is de Ulu Camii met een meer dan scheve minaret en binnenin voorzien van fraaie, elegante bogen, die de binnenruimte in kleinere bidruimten verdelen.

De moskee stamt uit 1157, het Selcuk-tijdperk, en is de eerste met een openlucht binnenplaats. Hoewel de minaret verre van dezelfde bekendheid geniet als zijn rivaal, de Toren van Pisa, is het toch zeker interessant genoeg om een bezoek aan te spenderen. Het hellen van de toren, de laatste meting geeft 6,8 aan, wordt vermoedelijk veroorzaakt door verschuiving van de bodem en enkele aardbevingen.
Om omvallen te voorkomen, staat de minaret al geruime tijd in de steigers en is hij voor het grootste deel ingepakt.
Wanneer hij weer in volle glorie te zien is, kan helaas niemand ons vertellen. Voorlopig gaat alle aandacht en geld naar de nieuwbouw van een giga religieus centrum, pal naast de o zo oude en krakende Ulu Camii.

Om in de ondergrondse graftombe van Arap Baba te komen, moet je je wel heel klein maken. Het is namelijk geen sinecure om je door een deurtje te wurmen dat niet hoger is dan, pak ‘m beet, driekwart meter. Holger, voor geen kleintje vervaard, laat zich niet kisten, zéker als het om een graftombe gaat en kruipt met camera en al naar binnen om voor mij de kist, zoals altijd met een groene doek bedekt, vast te leggen.

Er komt ook een moeder met haar dochtertje aan. Het kind huppelt met het grootste gemak via het deurtje de graftombe in maar de moeder, die de acrobatische toeren net als ik ook niet ziet zitten, lost het op door voor de ingang een schietgebedje te doen. Ik kniel wel even om een glimp van de graftombe op te vangen maar het gebedje, dát laat ik schieten.

Bovengronds bevindt zich de bij de graftombe behorende moskee. Het is werkelijk een plaatje! De kleuren van de resterende tegels rond de mihrab, kleuren heel harmonieus bij de tapijten, iets wat niet veel voorkomt.

In de in de dikke wanden gemetselde nissen liggen bidkleedjes maar ook doeken en shelvars opgestapeld voor de ongelovige vrouwelijke bezoekers. Maar er is op dit moment niemand aanwezig dus neem ik zelf genoegen met het uitdoen van mijn schoenen bij de ingang. Allah ook, hoop ik.

Andere nisjes doen dienst als allerliefst boekenkastje, ik denk een overblijfsel van de acht bibliotheken die het stadje ooit rijk is.

In het voorportaal van de Nadir Baba Türbesi, vanuit waar je de graftombe kunt betreden, zit in de hoek een stokoud vrouwtje, met de linkerpols in het gips en haar hoofd in de handen.

Als ik bij haar ga zitten, steekt zij onmiddellijk van wal. Onlangs is zij gevallen met als gevolg een gebroken pols en een voortdurend aanwezige hardnekkige hoofdpijn. Ondanks dit, blijft zij zich kwijten van haar dagelijkse taak, het schoonhouden van de directe omgeving van Nadir Baba Türbesi. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.


We geven haar wat geld en ik zeg haar dat zij prachtige tulpen op haar rok heeft.
Daar knapt zij onmiddellijk zienderogen van op.

Bij het afscheid wens ik haar veel beterschap. Zij geeft mij een aai over mijn bol, twee zoenen en de zegen van Allah en daarmee is mijn licht schuldgevoel over het onbedekt betreden van de Arap Baba Camii acuut verdwenen.

Walnootwinterkost.

Elazığ staat bekend staat om zijn orcik. Dat weten we, dus bezoeken wij vanmiddag de kapalıçarşı in deze stad.
Elazığ komt niet voor in gerenommeerde reisgidsen en dat betekent dat de plaatselijke markten allesbehalve toeristisch zijn en de producten authentiek.

Het is een kleine, knusse en rustige markt en de klanten lopen heel gericht naar de kraam waar zij hun inkopen willen doen.
Het aanbod bestaat voornamelijk uit vlees, inclusief schapenkoppen die mij met ontblote tanden grijnzend aankijken, versgemalen koffie, verpakt in mooie dozen en blikken, gedroogde kruiden in de vorm van piramides en allerlei zoetigheid, waarvoor als basis de dus lokale walnoot wordt gebruikt.
Aan de randen van de markt vinden we wat vis, huishoudelijke artikelen en plastic speelgoed, voornamelijk afkomstig uit China, dan wel Taiwan.

Maar wij komen voor de “walnootworst”, in het Turks orcik, dé specialiteit van Elazığ. We kennen het natuurlijk wel uit Nederland, maar die is vaak wat taai en té zoet van smaak.
De kramen hangen en liggen er hier vol mee. Het ziet er niet heel aantrekkelijk uit, maar daar laten wij ons niet door misleiden. Het moment dat we de markt betreden, knipt de eerste de beste orcik-verkoper een stukje voor ons af en na de eerste hap zijn we verkocht!

Gisteren horen we al dat het nog een week of vier duurt voordat de walnoten eetbaar zijn en dus geoogst kunnen worden.
Vanaf dat moment start dan ook de huisvlijt in een aantal dorpen rondom Elazığ in de Harput-regio, waar de echte, met uitsluitend natuurlijke ingrediënten gemaakte orcik vandaan komt. Oktober en november zijn de productiemaanden van dit gezonde en energierijke dessert wat bedoeld is voor de koude winteravonden, samen met een glaasje hete, sterke thee.
De winters hier zijn immers uiterst streng en dan kan zo’n zwaar  en voedzaam toetje geen kwaad.
Het bereiden van dit goddelijke nagerecht is erg arbeidsintensief.
Het begint met het persen van een bepaald soort druiven, ook uit dit gebied afkomstig.

Het druivensap dat het persen oplevert, kookt men vervolgens in, waardoor uiteindelijk de zo geheten pekmez overblijft. Dit zou je in het Nederlands druivenstroop kunnen noemen, bijna vloeibaar bij verhitting, dik en stroperig na afkoeling.

Dit beschrijf ik nu even in één zin, maar het is een uiterst tijdrovende klus, steekt erg nauw en mislukken ligt steeds op de loer.
De enige toevoegingen zijn wat bloem en sodium-carbonaat. Geen suiker en smaak- of kleurstoffen.

Intussen rijgen de vrouwen, met behulp van een fijne naald, de inmiddels gekraakte en gehalveerde walnoten aan een katoenen draad. Vaak liggen de noten de nacht ervoor in de week, zodat ze tijdens het rijgwerk niet breken.

De strengen worden vervolgens aan boomtakken of stokken gehangen en dan begint het. De worstbereiders dompelen de walnootslingers in de hete pekmez en hangen ze vervolgens te drogen in de zon.

Deze handeling wordt dan enkele malen herhaald totdat de gewenste dikte is bereikt. Dompelen, drogen, dompelen, drogen.

In Nederland gebruiken wij deze techniek voor het maken van de zogenaamde dompelkaarsen.
Uiteindelijk brengt men de walnootworsten naar de grote stad, waar zij onder andere op de kapalıçarşı die wij vandaag bezoeken, te koop aangeboden worden.
Orcik, 25 Turkse lira, lezen wij op het bordje.

Wij vallen als een blok voor de diep donkerbruine variant. En ook al is deze inmiddels bijna een jaar oud, hij smaakt verrukkelijk en we nemen er wat van mee naar Deventer. Niet dat wij tegenwoordig nog van die strenge winters hebben maar vandaag smaken ze ons ook prima, terwijl het nog altijd tegen de veertig graden is.
Of ze de hitte in de auto overleven, dat merken we wel bij thuiskomst. Die gok nemen we graag.

Dichte en open deuren.

Eigenlijk is afgelopen vrijdag Bitlis ons einddoel maar op het moment dat we door het oude centrum rijden, komt de regen werkelijk met bakken uit de hemel en zien we ons genoodzaakt door te tuffen naar Tatvan dat zo’n 20 km verder ligt.
Vandaag besluiten we terug te gaan om alsnog de historische highlights van Bitlis te gaan bekijken.
Zo is daar de 16de eeuwse Şerefiye Külliyesi, een indrukwekkend moskee-complex met medresse en hamam, opgetrokken uit donker zandsteen.

Minstens even prachtig moet de Ihlasiye Medressi zijn met zijn opvallende torentjes. En dan hebben we nog de Ulu Cami en de Şeref Han op ons lijstje staan.

Het is zondag, dus een parkeerplek is snel gevonden. We plaatsen onze auto onder de tarieven die op de muur gekalkt staan. Een kleine auto 8 en een grote 10 Turkse lira. We zijn benieuwd hoe de parkeerwachter onze Toyota inschat, maar het is nog vroeg in de ochtend dus deze is nog in geen velden of wegen te bekennen.
Via trappen en smalle donkere straatjes bereiken we de citadel. Deze staat op een rots die, als je beneden staat, imposant boven de stad opdoemt.

Tijdens de klim naar boven, hoor ik een stem die mij naroept. Ik draai mij om en daar staat een wat oudere vrouw in haar deuropening.
Ik roep op mijn beurt Holger, die al een stukje vooruit loopt en volg de vrouw door de deur naar haar binnenplaatsje. Ze hurkt bij een teil met pruimen, afkomstig van de boom die tevens voor heerlijke schaduw zorgt, en vult een plastic zak met de, naar later blijkt, nog keiharde vruchten.

Hier, voor jou, zegt zij, omdat het zo warm is en zij overhandigt mij de tas met inhoud. Veel te veel, protesteer ik, maar zij houdt vol en uiteindelijk bereiken we een compromis. Ze stopt zo veel mogelijk pruimen in mijn beide broekzakken en ik geef haar de plastic tas met inhoud terug. Holger is inmiddels ook gearriveerd en met veel plezier poseert oma mét kleindochter en mij voor een plaatje.

Later leg ik de vruchten op de vensterbank van een bijgebouwtje op een piepkleine begraafplaats. Hier kunnen ze rijpen en hopelijk vindt iemand ze die van harde of rijpe pruimen houdt.

Helaas blijken de historische trekpleisters van Bitlis allemaal gesloten. Óf er wordt gerestaureerd, óf verbouwd, óf de sleutelbewaarder is in geen velden of wegen te bekennen. De temperatuur is intussen al flink opgelopen en Bitlis straalt niet voldoende uit om er langer te blijven. Het heeft al met al wel wat weg van een geïsoleerd 19de-eeuws Engels fabrieksstadje. Vies, verwaarloosd en lichtelijk deprimerend.
Hiermee bedoel ik zeker niet dat we spijt hebben. Alles is tenslotte de moeite waard onderweg en aardige, mooie mensen vinden we overal.

Ook later in de middag, wanneer we, na een mooie wandeling langs de oever van het Van-meer, via achterafstraatjes teruglopen naar ons hotel.
Ik zie rook omhoog stijgen en waar rook is, is altijd vuur.
Het blijkt te gaan om ketels op het vuur, gewoon in het open veld.

Ik neem wat foto’s en even later verschijnt de vrouw des huizes die benieuwd is naar wat ik doe. Ik leg het haar uit en zij begint in een van de ketels te roeren en geeft aan dat ik meer foto’s mag maken.

Omstandig legt zij mij uit dat er tomaten en pepers in de gesloten glazen potten zitten die in het kokende water liggen. Een soort wecken dus, om zo een voorraad ingrediënten te hebben voor “menemen” tijdens de barre, strenge winters die dit gebied kent. Menemen is een typisch Turks eiergerecht dat vooral bij het ontbijt wordt gegeten.

Ze verdwijnt om even later terug te komen met haar hele familie en op een gegeven moment worden Holger en ik omringd door vier generaties. Ze nodigen ons uit om hun moestuin te bekijken, iets wat we natuurlijk niet afslaan.
Marul, peterselie, appel- en perenbomen, bonen, en veel, heel veel tomaten.
Er staat ook een boom met vruchten die ik niet ken. Cevizler, legt een van de vrouwen mij uit, maar dit woord ken ik niet. Holger staat een eind verder met de heer des huizes te praten, maar geen nood. Zij plukt een vrucht, pakt een bijl die binnen handbereik ligt, hakt ‘m behendig doormidden en toont het binnenwerk in haar door de henna oranje gekleurde handen.

Ah, natuurlijk, de walnoot. Logisch, want deze streek staat bekend om zijn walnotenbomen. Ondertussen plukt een van de andere vrouwen een bosje peterselie voor mij.

Bij het afscheid belooft Holger voortaan bij het eten van tomaten aan deze moestuin met zijn ontzettend aardige en gastvrije eigenaressen te denken.
En in plaats van oude, gesloten gebouwen staat de dag vandaag zo maar in het teken van mooie ontmoetingen met open, gastvrije en gulle mensen, bereid om veel met ons te delen.

Oh ja, en de auto blijkt te vallen in de categorie klein.
Maar we betalen voor groot, bij gebrek aan wisselgeld!

Klopgeesten?

Op het moment dat vandaag de afscheidsbijeenkomst voor René begint, struinen Holger en ik over de immense, eeuwenoude begraafplaats in Ahlat. Voorwaar geen toeval, want toeval bestaat niet.
Hoewel deze plek jaarlijks talloze bezoekers trekt, zijn wij vanmorgen zo goed als de enigen.
En dat is fijn. Want door de rust en stilte is het mogelijk ons verbonden te voelen met dat wat er in hotel Gaia in Deventer, waar de laatste samenkomst voor René plaatsvindt, gebeurt.

Het centrum van het oude Ahlat draagt de bijnaam “Stad van de Ruïnes”.
Met overblijfselen uit de periode van de Urartu tot en met de Ottomanen, waaronder kastelen, moskeeën, bruggen, torens, hammams en medresses, is deze plek een gigantisch openluchtmuseum waarvan ook de begraafplaatsen onderdeel uitmaken. Zij worden van de 11de tot eind 19de eeuw doorlopend gebruikt. Weliswaar de ene periode wat intensiever dan de andere, maar toch….
Van de tot nu toe zes gevonden begraafplaatsen is Selçuklu Meydanlık Kabristanı de grootste en de oudste. En dat is ook degene die wij vandaag bezoeken.

Het ongeveer 50 hectare grote terrein ligt in een uitgestrekte, glooiende vallei waarvan het gras, zo aan het einde van de zomer goudgeel kleurt, wat prachtig afsteekt tegen het donkerrode van het vulkanische tufsteen dat in het verleden voor de vervaardiging van deze grafzuilen gebruikt wordt.

Verliggende heuvels omgeven het gebied aan de ene kant en de op een na hoogste berg van Turkije, de majestueuze Süphan Dağı, bewaakt de necropolis aan de andere kant. Tegenover de ingang klotst het water van Van Gölu, het grootste meer van Turkije, zachtjes tegen haar oevers. Voorwaar geen slechte ligging.
Van de bloemenzee die in het voorjaar te voorschijn komt, is nu niet veel meer over. Maar toch zien we nog wat prachtig bloeiende distels. Om 11.00 uur Nederlandse tijd stuur ik hier een afbeelding van naar Gerhard.

De grafstenen zijn allemaal prachtig gegraveerd. Van de ruim 8000 exemplaren zijn er nog zo’n 1500 in erg goede staat, ondanks de aardbevingen die zich in dit gebied regelmatig voordoen.
Het is boeiend te zien dat de hoogte van de stenen sterk varieert, een kenmerk dat de status van de overledene weergeeft. Hoe hoger de steen, hoe belangrijker degene die daar begraven ligt. Sommige bereiken wel vier tot vijf meter. De foto hieronder toont monolieten die duidelijk aan zeer prominente personen toebehoren. Zo hoog en rijkelijk versierd! Volgens het er naast geplante informatiebordje gaat het hier om moslimrechters.

Naast de hoogte van de zuilen is natuurlijk ook de aangebrachte decoratie een graadmeter voor de belangrijkheid van degene die in het graf gehuisvest is.
Geometrische motieven, Arabische kalligrafie, flora-patronen, ze liggen als kantwerk op voor- en achterzijden van de stenen en zelfs de smalle zijkanten zijn voorzien van inscripties.
De naam van de dode, degene die het graf gebouwd heeft en wat verzen uit de koran is feitelijke informatie vermengd met decoratie en verering van Allah. Dit is aan de voorzijde van de monoliet of op de sarcofaag te lezen.
De achterzijde toont de meest mooie versiersels en vaak is er een mihrab in aangebracht, een islamitische gebedsnis.
De ontwerpers en bewerkers van de grafstenen waren ambachtslieden, maar heden ten dage zouden wij hen toch echt kunstenaars noemen.

Terwijl ik langs de eindeloze hoeveelheid graven wandel, hoor ik steeds een geluid dat veel weg heeft van een boer die zijn klompen tegen elkaar beukt om de gedroogde mest en ander vuil er zo veel mogelijk vanaf te slaan, voordat hij de stallen betreedt. Ik hoor het overal om mij heen, maar heb werkelijk geen idee wie of wat het veroorzaakt. Het doet wat bizar aan, want het komt echt vlakbij de graven vandaan…..
Maar dan zie ik plots een viertal schildpadden, al bumperklevend tussen twee graven in, een kleine verkeersopstopping vormen. De achterste wil vooruit, de voorste niet en door met zijn schild tegen het schild van zijn voorganger te stoten, probeert hij wat schot in de zaak te krijgen.
Helaas, tevergeefs.
Gek, maar ik voel me toch opgelucht nu ik weet niet met klopgeesten van doen te hebben.

We zwerven er zeker twee uur rond, zitten af en toe op een bankje om zo wat te mijmeren over het leven en wat hiermee samenhangt.
Elke grafsteen is, als onderdeel van het materiële, het laatste zichtbare overblijfsel van iemands bestaan in onze sterfelijke wereld. Aan de andere kant vertegenwoordigt elke grafsteen ook het verleden van de plek waar deze zich bevindt. Wie leefden er, welke status bezaten zij, wie werd hoe oud, welke vorm steen, decoraties en stijl is op welk moment gangbaar of in de mode. Kortom een bron van informatie voor hen die willen weten en eigenlijk is deze site één dik geschiedenis boek waar we doorheen wandelen.

Ik ben heel tevreden met ons bezoek aan Ahtal, juist op een dag als vandaag.
Door hier te zijn realiseren we ons des te meer hoe betrekkelijk het leven is. Oud of jong, het maakt eigenlijk niet uit. In de eeuwigheid is elk leven slechts een moment. Het gaat niet zo zeer om de lengte maar veel meer om de breedte van het leven, zoals René mij kort voor zijn door in zijn afscheidsbrief schrijft.
Begraafplaatsen en grafstenen, ze vormen hét symbool van onze sterfelijkheid en sterfelijkheid is misschien wel het meest menselijke in ons bestaan.

Hemel en hel op aarde.

In vorige eeuwen reist men al af naar het dorp Tillo, wat in het Aramees “Verhevene Zielen” betekent. Het dorp, zo’n twintig km verwijderd van Siirt, heet lange tijd Aydinlar, een zuiver Turks woord met dezelfde betekenis. Maar de oorspronkelijke en huidige naam is dus Tillo.

De pelgrims lopen in vroegere tijd op blote voeten naar dit op het eerste gezicht zo’n nietszeggend plaatsje, om zo onderdanig mogelijk hun eer te betonen aan de heiligen die daar, verspreid over het hogergelegen deel van het dorp hun graftombes hebben.

De graftombes van de heilige Sultan Memduh, zijn eveneens heilige en poëtische vrouw Zemzem-ül Hassa en die van hun kinderen bevinden zich in Tillo en worden elk jaar door duizenden mensen bezocht.

Sultan Memduh, zijn echte naam is Mahmut, ziet in 1761 het levenslicht in Tillo en mede doordat zijn ouders en grootouders intellectuelen zijn, geeft de kleine Mahmut al snel blijk van grote nieuwsgierigheid en is dan ook bijzonder leergierig.
Deze eigenschappen leiden ertoe dat hij de bijnaam “Memduh” krijgt, wat De Geprezene betekent. Later wordt dit zijn officiële naam.
Zijn opa, Sheikh Ismail Fakirrulah, onderwijst hem in verschillende religieuze wetenschappen en jurisprudentie.
Dankzij Menduh’s kennis, wijsheid en eruditie verspreidt zijn roem zich over de hele islamitische wereld en mensen komen dan ook van heinde en ver naar Tillo om hem te eren en te prijzen.

Er ontstaat een soort sekte rond Memduh’s, gebaseerd op de ‘Uveysiyye’, de orde van zijn grootvader en leermeester.
Het woord ‘Uvesiyye’ duidt op een moslimmysticus die tijdens zijn leven wijsheid en inzichten zoekt vanuit de geest van een dode of vanuit een fysiek afwezige heilige en dus niet door onderricht van een leraar.
De term is afgeleid van de naam van Hazrat Uwais, een legendarische metgezel van de profeet Mohammed, die via telepathie met de profeet zou hebben kunnen communiceren. 
Memduh schrijft een levenswerk van 47.000 verzen om zijn gedachtengoed aan de wereld kenbaar te maken. Dit werk is van groot belang voor het Soefisme en verschijnt nog altijd in het Arabisch, Perzisch en tegenwoordig zelfs in het Turks.
Sultan Memduh overlijdt in 1847. Zijn graftombe bevindt zich op een hoge bergkam in Tillo, waar zijn studenten, volgers en aanbidders later een moskee bij bouwen.

Wij bezoeken vandaag deze graftombe.
In het voorportaal van de grafkamer, neemt men het niet zo nauw met het respecteren van de doden. In de hoek staat een tombe, bekleed met een wandkleed waarop afgebeeld de Kaäba in Mekka. Dat is nog wel een beschaafd geheel maar de verdere aankleding getuigt toch niet van eerbied. Het oogt meer als een open bezemkast.

De entree naar de graftombes van Memduh en de zijnen is echter vanaf het moment dat je voor de drempel staat al imposant. Deze is bekleed met een laag bewerkt zilver, evenals de deur die wagenwijd en gastvrij open staat, zonder dat er ook maar iemand in de buurt is.
Ik sluit de deur, om ‘m goed op de foto te krijgen en pas dan zie ik het “kijkgat” waardoor je de graftombe van Memduh kunt bewonderen, mocht je als bezoeker onverhoopt voor een dichte deur komen.
Overigens is de deur echt wonderschoon en uitbundig bewerkt. Er zit een ferme klopper op en diverse schildjes met een Arabische tekst erin gegraveerd. Verder is hij bezaaid met bol-achtige ornamenten, elk voorzien van een Davidsster.

Er hangen ongetwijfeld camera’s, maar wij zien ze niet. Zij ons wel, denk ik, want het is écht alles zilver wat er blinkt, dus met een ekster in de buurt zou er wel eens het een en ander kunnen verdwijnen.
We betreden de kamer waarin de graftombes opgesteld staan, op blote voeten zoals het hoort. We staan onmiddellijk oog in oog met een prachtig ijzeren hekwerk, ook weer volledig bekleed met zilver.

We komen werkelijk ogen tekort, zoveel mooie details zijn er te ontdekken in het hek, ooit vervaardigd door een Armeense edelsmid, Emeni, die zo’n 160 jaar geleden in Siirt woont. De versiersels met Davidssterren zijn wederom rijkelijk aanwezig, maar nu aangebracht in een laagje goud.
Emeni gooit echt alle remmen los als hij ter eer en glorie voor deze heilige Memduh aan de slag gaat.

Maar de grootste verrassing bestaat uit twee relatief kleine ornamenten, verscholen in glazen bollen. De Armeniër heeft tijdens het maakproces van het hek namelijk een droom. Hierin spelen hemel en hel een grote rol en de edelsmid ziet dit als een teken van god om dit in zijn kunstwerk te verwerken.

In de linkerbovenhoek van het hek zien we de hemel, uitgebeeld met kleurig, heel fijn filigrein-achtig en driedimensionaal kantwerk van glas. Het kleurrijke geeft aan dat er in de hemel alleen maar mooie dingen zijn en er een vrolijke, gelukkige sfeer heerst.

Uiterst rechts zien we de zelfde bol van glas, maar daarin zitten een soort grijskleurige, rotsachtige kiezelsteentjes. Hiermee probeert hij de deprimerende stemming in de onderwereld weer te geven.

En ik denk opeens aan de muur in Midyat waarop een in haast geschreven zin staat die we twee dagen terug zien en lezen:

“Cenet güzelde bütün tanidiklar cehenemde”
“De hemel is mooi maar alle kennissen zijn in de hel”
We zullen het ooit ontdekken, of nooit……….


Een kaarsje in het klooster.

Duizenden Syrisch-orthodoxe christenen vluchten door de jaren heen vanuit het zuidoosten van Turkije naar West-Europa, waaronder naar Nederland. Zij hebben het hier goed, maar het “zoete vaderland” blijft trekken.
Met iedere vezel in hun lijf voelen zij zich verbonden met de Tur Abdin, oftewel de Berg van Gods Knechten. Dit is de streek in het zuidoosten van Turkije met zijn prachtige kloosters waar zij al zestien eeuwen lang in een hun vijandige omgeving het geloof trouw blijven.
Maar niet-islamitische minderheden moeten het in Turkije vaak ontgelden. Zo mogen de Syrisch-orthodoxen in het openbaar geen Aramees spreken, de taal van Jezus en zijn apostelen en de taal van het oude Mesopotamië. Het renoveren van kerken en kloosters gebeurt door Turken, onder streng toeziend oog van de Turkse overheid en dat gaat zelden op de manier waarop de betrokken gelovigen het wensen. Christelijke jongeren, waaronder ook de Syrisch-orthodoxen, krijgen islamitisch theologie onderwijs en dienstplichtigen staan tijdens hun diensttijd continu onder druk om zich te bekeren tot de islam. Na hun studie mogen zij niet werken als ambtenaar en politiek mogen zij niet bedrijven.

Aldus bisschop Dr. Hanna Aydin, die ons allerhartelijkst begroet als wij vanmorgen via de schaduwrijke toegangslaan het Mor Gabriel Manastiri naderen. Een Syrisch-orthodox klooster, gelegen op de grens van Syrië en Turkije.

Hij vertelt verder.
Neem het dorpje Kafarbe, dat op 2 km van het klooster ligt. In het verleden is de bevolking zo goed als 100% Syrisch-orthodox. In 1987 vertrekt het laatste christelijke gezin en nu wonen er alleen nog Koerden. Het verhaal van Kafarbe is kenmerkend voor dit gebied. In Tur Abdin wonen nu nog slechts 3000 Syrisch-orthodoxen, in Nederland, vooral in het oosten rond Enschede en Hengelo, vestigen er zich sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw zo’n 15.000.
En weer blijkt Turkije klein. Holger kent Attya Gamri, een Syrisch-orthodoxe Nederlandse, vanuit de PvdA. Bij navraag blijkt deze bisschop haar ook te kennen. Hij is namelijk regelmatig in Nederland waar hij bijeenkomsten bijwoont van de Raad van Kerken. Hij is zelf als bisschop werkzaam in Duitsland maar is voor overleg en het ontvangen van instructies van hogerhand natuurlijk regelmatig terug op de thuisbasis, het Mor Gabriel Manastiri.
Voor Attya maak ik dus nog een kiekje van Holger met de bisschop. Deze combinatie op één foto heb ik in de 45 jaar dat wij samen zijn, nooit kunnen verzinnen…….

Terug naar het ‘Umro dMor Gabriel, ook wel Qartminklooster genoemd. Het is het oudste nog bestaande en werkende klooster in de wereld, in het moederland van de Suryoye.
Overigens krijgt het de naam Mor Gabriel pas later. De oorspronkelijke naam is ‘Umro dMor Shmuyel u Mor Shem’un, het Heilige Samuël en Heilige Simon klooster.
Het is een werkende leefgemeenschap met tuinen en boomgaarden.

Het hoofddoel van dit in 397 gestichte klooster is het levend houden van het Syrisch-orthodox christendom en de Aramese taal door scholing aan te bieden en het opleiden van monniken in de dop. Ook biedt het indien nodig fysieke bescherming aan de christelijke bevolking.
De naam Mor Gabriel komt van de 7de eeuwse bisschop van het klooster, Sint Gabriel. Deze schijnt, honderden jaren na zijn dood, nog altijd over genezende krachten te beschikken, een talent dat zich bevindt in zijn vijf vingers. Honderdvijftig jaar na zijn dood maakt men om de een of andere reden zijn graf open en dan blijkt zijn lichaam nog helemaal niet te zijn vergaan. Men neemt aan dat hij dan wel iets bijzonders moet kunnen en dat worden dus helende gaven. Prompt genezen mensen van allerlei kwalen en ziektes, blinden worden ziend en doven horend. Zijn vijf vingers worden van zijn hand afgehakt, in zilver gegoten om zo de mysterieuze krachten te behouden en het lichaam wordt weer terug gelegd in het graf.

Het is een simpel graf zoals Gabriel het destijds wil, wars van welke opsmuk dan ook. In de opening vooraan ligt losse aarde, waar je wat van mee mag nemen. Het heeft een beschermende werking dus ik schep een beetje op met mijn hand en stop het in mijn zak. Voor je weet maar nooit…..

Vrij rondlopen is niet aan de orde, we krijgen een verplichte rondleiding van Paulus, die ons weinig tijd geeft om echt lang stil te staan bij wat de moeite van het bekijken waard is. Er zit ons een grote groep gelovige bezoekers uit Bursa op de hielen en Paulus wil deze voor blijven, zodat wij niet in de groepsdrukte verloren raken.
De rondleiding gaat overigens slechts door een zeer beperkt deel van het complex. Een algemene ruimte, wat gangen, trappen en binnenpleintjes op verschillende hoogten. Veel deuren blijven gesloten voor bezoekers en nog ik denk nóg minder voor ongelovigen, zoals wij.

Wel zien we orthodoxe versieringen, vermengd met oosterse motieven. Of dit altijd zo geweest is, vertelt het verhaal van de gids niet. De restauraties, die de afgelopen jaren plaatsvinden, nemen immers een hoop van het karakter en originaliteit weg, maar onlangs is het klooster weer teruggegeven aan de Syrisch-orthodoxe gemeenschap dus langzaam maar zeker zullen zij het zich weer eigen maken. Het is mij zo wie zo een raadsel hoe het klooster en zijn bewoners 1600 jaar standhouden tegen de aanvallen van ziektes, moslims, Turken, Mongolen, Koerden, nóg meer Turken en van wat er in de toekomst allemaal nog op hen afkomt.

Wel mogen we uitgebreid een kerkje bezichtigen, gewijd aan de heilige maagd Maria.

Dit raakt mij zeer, want in de nacht van maandag op dinsdag is tot ons verdriet René, sinds lange tijd een goede vriend van ons, rustig in zijn slaap overleden. Verwacht, maar toch nog onverwacht snel.
René heeft altijd een zwak voor Maria gehad en ik vermoed Maria ook voor hem.

Ik brand een kaarsje speciaal voor hem en overdenk met een gevoel van weemoed onze jarenlange vriendschap. Na acht maanden ziekte is het goed zo, maar ik ga hem enorm missen. Het kaarsje is ook voor zijn partner Gerhard om hem licht in deze zo donkere tijd te geven en ondanks onze fysieke afstand van zo’n 4000 km voelt het toch alsof ik heel dicht bij hem ben. Zowel hij als René reizen een beetje met ons mee dit keer.

Bijna verzopen schoonheid.

De lege, stoffige winkelstraat waar Holger en ik vandaag op het heetst van de dag doorheen slenteren, geldt als de P.C. Hooftstraat van het slaperige stadje Hasankeyf . Dit ligt aan de oever van de Tigris, in het arme en ruige zuidoosten van Turkije wat wij kennen als het oude Mesopotamië. Veel ondernemers hebben hun deuren niet eens geopend.

Het stadje kent vele beschavingen, heeft een twaalfduizend jaar oude geschiedenis en bezit een ware culturele schatkamer. De Koerden, Perzen, Arabieren, Turken en Christenen laten hier door de eeuwen heen duidelijk hun sporen na.
Ooit is dit namelijk een belangrijke handelsplaats langs de Zijderoute, een kruispunt van culturen en tevens een religieus bolwerk.
De stille getuigen zijn de talloze ruïnes die dit stadje rijk is.
Als geheel gaat dit alles op korte termijn verloren. Enkele historische bouwwerken zijn inmiddels al naar een twee km hoger park verplaatst, waaronder de Zeynel Bey tombe, de Imam Abdullah Zawiyah moskee, één van de poorten van het Hasankeyf kasteel en de minaret van de Sultan Süleyman moskee.

Vooral Zeynel Bey Türbesi blijkt van een grote schoonheid door zijn bijzondere vorm en het blauwturqoise gekleurde mozaïekwerk.

In de vijftiende eeuw is het oosten van Anatolië in handen van Aq Quoyunlu oftewel de Witte Schapenfederatie, een bonte verzameling Turkmeense stammen. Zij nemen de macht over van de Ajjoebiden en stichten een groot rijk waarover zij anderhalve eeuw heersen. Tussen 1453 en 1478 staat Sultan Uzun Hasan, alias Lange Hasan, aan het hoofd van de Witte Schapen en voor zijn zoon Zeynel laat hij de graftombe in Hasankeyf bouwen.

Tegenwoordig overspant een moderne, nietszeggende brug de Tigris, maar de indrukwekkende overblijfselen van de oude brug geven nog altijd een goed beeld van het belang van de stad in vroeger tijden. Hij is uit 1116 wanneer Hasankeyf op het snijpunt van twee handelsroutes ligt.

Wat het stadje verder zo bijzonder maakt, zijn de honderden grotwoningen, uitgehouwen in de zachte kalkstenen rotsen.
Sommige zijn zo’n vierduizend jaar oud. Tot de jaren ’70 van de vorige eeuw worden ze nog volop bewoond en later bieden ze onderdak aan gevluchte Iraakse Koerden tijdens de oorlog.
Als wij bij het verlaten van het stadje langs de uitlopers van de grotwoningen rijden, zie ik her en der wasgoed te drogen hangen. Het zou zo maar kunnen dat dit keer Syrische vluchtelingen er tijdelijk verblijven.

Maar ook de huizen van de hogere klassen zijn zeker de moeite waard. Deze zijn nu nog te zien tegen de hellingen maar zullen niet gered gaan worden van de dreigende verdrinkingsdood.

Ook de tot restaurantjes omgebouwde woningen, ooit hooggelegen en met uitzicht over de Tigris om in de hete zomers zo veel mogelijk wind te vangen, gaan het niet redden.

Want wat is er allemaal gaande in Hasankeyf?
Turkije bouwt al decennia lang aan een reeks van 22 stuwdammen en 19 waterkrachtcentrales in en aan de Tigris en de Eufraat. De bedoeling van de regering, lees Erdoğan, is irrigatiemogelijkheden voor de omliggende gebieden én vooral energie opwekken om te voldoen aan de onverzadigbare vraag naar elektriciteit. Turkije is daarvoor nu nog voor een groot deel afhankelijk van het buitenland en dat is Erdoğan niet graag. Daarnaast wordt Turkije op deze manier de baas over de Eufraat en de Tigris, wat landen als Irak, het autonoom Koerdisch gebied en Syrië zeker zullen gaan merken.
Een van de 22 stuwdammen wordt dus de Ilisudam bij Hasankeyf, waarvan de aanleg intussen al in een vergevorderd stadium verkeert.
Het stadje zal geheel onder water komen, want het waterpeil stijgt hier uiteindelijk met 65 tot 70 meter.

In de verte zien we de aanleg van de nieuwe stad, waar straks de bewoners “van beneden” naar toe verhuizen. Velen zijn hier tevreden over. Ze krijgen een veel ruimere woning met keuken en badkamer én een bedrag tot 20.000 euro.
Maar ook zijn er veel bewoners tegen de plannen vanwege de schoonheid die verloren gaat. Bovendien is het stadje altijd een trekpleister voor Turkse toeristen geweest, zeg maar het Hollandse Giethoorn of Volendam.
Dit betekent dat de werkgelegenheid sterk zal afnemen en men is onzeker over wat er voor terugkomt.
Dat de P.C. Hooftstraat van Hasankeyf geen lang leven meer is beschoren moge duidelijk zijn.
Maar als ik de “etalages’ zie, weet ik niet of dit nu het grootste verlies is in deze…….

Binnen de stadsmuren van Diyarbakır.

Sur is een deelgemeente van Diyarbakır, een grote Koerdische stad in het zuidoosten van Turkije. Het betreft het gebied binnen de oude zwarte uit basaltstenen opgetrokken vestingmuren van de stad. Sur betekent dan ook stadsmuur in de Turkse taal.

In 2015 verklaart UNESCO een deel van Sur tot beschermd werelderfgoed en in dat zelfde jaar bezoeken Lia en ik deze Koerdische regio, waaronder Van, Mardin en dus ook Diyarbakir. In het blog van toen beschrijven we hoe hoopvol de Koerden gestemd zijn, zo vlak voor de parlementsverkiezingen. De HDP doet mee en Erdoğan zoekt op een positieve manier contact met allerlei Koerdische groeperingen. De kleurig geklede vrouwen, die in de deuropeningen van hun woning staan, maken veelvuldig het V-teken naar ons en er hangt een ontspannen sfeer in de wijk.
Maar is weinig meer over van dit Sur als gevolg van oorlogshandelingen tussen het Turkse leger en de PKK die in 2015, na de bewuste verkiezingen, en 2016 plaatsvinden.

Waarom die oorlog?
De officiële ideologie van de Turkse staat zit vast in de eeuwige obsessie dat álle Turken Turks spreken en soennitische moslims zijn. Andere identiteiten hebben geen plek in de synthese tussen islam en nationalisme. De volkeren van Turkije echter, accepteren deze mentaliteit nooit en te nimmer en zo is de nog jonge geschiedenis van de Turkse republiek er een van opstand en repressie. Met name de relatie tussen Koerden en het regiem Erdoğan escaleert na de vermelde parlementsverkiezingen, omdat Erdoğan in zijn ogen onvoldoende steun ontvangt van de Koerdische kiezers en zo geen absolute meerderheid in het parlement krijgt. Ook niet in tweede instantie na nieuwe verkiezingen later dat jaar.

Het leger valt Sur binnen en vecht maandenlang tegen de bevolking en de aanwezige PKK, de gewapende Koerdische organisatie die al tientallen jaren naar autonomie streeft. De gevolgen zijn rampzalig. Honderden doden, tienduizenden daklozen en ontheemden. De huizen in een groot gedeelte van Sur worden bij wet onteigend en er vallen grote gaten in de wijk.

Door de politiehekken heen zien we vandaag een spandoek langs de weg waarin Erdoğan belooft om in Sur 1500 nieuwe woningen te laten bouwen. Maar deze zijn niet meer voor de oorspronkelijke bevolking bedoeld, die kan dat niet betalen. Dit worden woningen voor beter gestelden.

Maar nu is er dus die grote kale vlakte, waarin vrijwel alles vernietigd is. Het gebied is nog steeds een no go area. Elke zijstraat, elk steegje, hoe smal dan ook, is afgesloten met grote betonblokken, prikkeldraad en gaas, permanent streng bewaakt door zwaar bewapende politieagenten en er staan talloze gepantserde politietanks, de zogeheten toma’s.
Alleen de zwerfkatten weten de gaatjes te vinden om van de ene kant van naar de andere kant van Sur te lopen.

Herinneringen aan deze strijd voelen en zien we overal als we door dit deel van de stad struinen. Kogelgaten in muren en rolluiken, graffiti die óf de Turkse staat dan wel de Koerdische visie ondersteunt.

Deze gecombineerde steunbetuiging is op de foto hieronder te zien, met respectievelijk de ster en de maan, bekend van de Turkse vlag én de letters “apo”, de populaire benaming van de al jaren lang gevangengehouden PKK leider Abdullah Öcalan.

In Sur staat een grote, uiterst gedetailleerde maquette van de wijk tentoongesteld in een daar speciaal voor ontworpen glazen gebouwtje, dat voor iedereen gratis toegankelijk is.
Twintig jaar lang werkt Fesih Gündoğar in zijn atelier aan dit enorme project. Uiterst nauwkeurig meet hij door de jaren heen duizenden straatjes en gebouwen op om ze in zijn maquette op te nemen. Tijdens het 103 dagen durende beleg blijft Gündoğar in het ongewisse over het lot van zijn levenswerk maar uiteindelijk blijkt de schade met twee kogelgaten in de glazen wand rondom de maquette en lichte schade aan de stadsmuren mee te vallen. Het miniatuur bouwwerk blijkt een bron van troost voor de bewoners van Sur omdat zo duidelijk kunnen zien hoe hun geliefde wijk er ooit heeft uitgezien. Bovendien houdt het herinneringen levend door de verhalen die mensen aan elkaar vertellen naar aanleiding van het bekijken van de maquette.
Na de verwoesting van een deel van Sur heeft Gündoğars maquette zo een nog grotere betekenis gekregen. Ook voor ons beiden.

Het kapotgeschoten en gebombardeerde gedeelte is eigenlijk de gehele wijk genaamd Savaş Mahallesi. Navrant detail is dat Savaş het Turkse woord voor oorlog is. Omen est nomen.

We willen zo graag dat het beter gaat in Diyarbakir maar de vaak op fluistertoon gevoerde gesprekken met de inwoners geven een boodschap van grote frustratie, boosheid en diep verdriet.
Afgelopen week nog wordt de gekozen HDP-burgemeester in Diyarbakir afgezet, evenals die van Mardin en Van.
Zout in de wond strooien, zo ervaren velen dat. Er is veel tijd nodig om de alle wonden van de afgelopen jaren te helen. Maar ook een andere politieke wind, gericht op het samenbrengen en verbinden van de inwoners en verschillende groeperingen en niet op het bestrijden van elkaar. Diyarbakır zou geen afzichtelijke betonnen stadsmuren nodig moeten hebben.

De oudste tempel.

Voordat wetenschappers het imposante complex vinden, is het een boerengebied. De agrariërs vinden regelmatig “lastige stenen” op hun akkers en werken deze vakkundig weg, niet wetende dat het zeer bijzondere vondsten zijn die zij op stapels gooien en vernietigen. Dit verandert pas in 1963 wanneer archeologen uit Istanbul en Chicago in dit gebied onderzoek verrichten.  Zij ontdekken dat die rare, steile heuvel met de naam Göbekli Tepe, wat Navelheuvel betekent, geen natuurlijke oorsprong heeft en vinden een tempelcomplex onder de landbouwgronden. Maar het heeft op dat moment geen prioriteit en men onderzoekt niet verder.
In 1983 vinden een boer en zijn zoon een beeldje en zij besluiten met deze vondst naar het museum in de stad Şanlıurfa te gaan, zo’n 15 km naar het zuidwesten gelegen.

Deze boer en zijn zoon zijn de opa en vader van Mehmet Tarik Yıldız, werkzaam bij Göbekli Tepe. Mehmet schuift bij ons aan wanneer we, na het bezoek aan de archeologische site, ons in het aanpandige restaurant laven aan koud water en een heerlijke koffie.
Bescheiden maar toch ook met gepaste trots, vertelt hij ons dat het eigenlijk zíjn grootvader is die de ontdekker is van deze meest bijzondere prehistorische locatie ter wereld. Hij pakt er een boek bij waarin een groepsfoto staat met Klaus Schmidt en zo’n vijftig van zijn medewerkers en wijst vervolgens zichzelf, twee van zijn broers, zijn opa en zijn vader aan. Hij toont veel respect voor de vijf jaar geleden overleden Klaus, maar heeft weinig lovende woorden voor zijn weduwe Çiğdem, die volgens hem een wat vreemd idee van de werkelijkheid heeft en haar man té groot maakt. Iets wat wij ook wel merken tijdens ons bezoek aan haar.


In zijn beleving is het zijn opa die de opgravingen van Göbekli Tepe in gang zet door bij het archeologisch museum van Urfa aan de bel te trekken.
Herr Schmidt leidt vervolgens vanaf 1994 twintig jaar lang op een geweldige wijze de opgravingen en onderzoeken ter plekke. Dát moet Mehmet hem nageven.

Maar wat is dat Göbekli Tepe nou eigenlijk?
Het is het oudste tempelcomplex ter wereld, waarvan het eerst deel zo’n 12.000 jaar oud. De bouw begint ten tijde van de omschakeling van een samenleving van jagers-verzamelaars naar een samenleving gebaseerd op landbouw en veeteelt, de zogenaamde Neolithische revolutie.
Het ligt daar waar het Taurusgebergte eindigt en de dorre eindeloze vlakte van Mesopotamië begint. Tot nu toe ontdekken archeologen drie lagen. In de oudste nederzettingslaag, uit 11.000 tot 9.000 voor Christus, bevinden zich grote T-vormige pilaren, zogeheten monolieten, die samen met enkele muren een cirkel vormen. De doorsnede van de cirkel is zo’n dertig meter en de zuilen wegen tussen de 40 en de 60 ton elk.
Er staan waanzinnig mooie gegraveerde wilde dieren en mythische wezens op de zuilen afgebeeld. We herkennen in de reliëfs leeuwen, stieren, vossen, kraanvogels, hagedissen, slangen, herten en ganzen maar we zien ook enkele abstracte pictogrammen die lijken op een soort schrift. Ook is er een monoliet voorzien van armen en deze beeldt wellicht een mens of een ander mythologisch wezen uit.

In de tweede laag zien we meerdere rechthoekige ruimten met vloeren van gemalen kalk. Deze dateren van ongeveer 8.000 voor Christus.
De jongste laag bestaat vooral uit sedimenten.
Na verloop van tijd verliest het complex namelijk zijn betekenis en bedekken de bewoners het geheel bewust met aarde. En dit is dus de aarde waarop de boeren lange tijd hun gewassen verbouwen en die “lastige stenen” narrig op een grote hoop stuk gooien.

Gelukkig overleeft de, naar onze mening, mooiste afbeelding het. Een katachtige, driedimensionaal weergegeven op een T-zuil met voor hem zijn zojuist gevangen prooi. Een prachtige weergave van een roofdier dat 12.000 jaar geleden al net zo moordend en bloeddorstig kijkt als op de dag van vandaag.

Het is een prachtige ervaring om te lopen langs en over een plek, waar zo ontzettend lang geleden de mens voor het eerst op gestructureerde wijze aanbidding, bezinning en inspiratie met elkaar wil delen.

Een huis als herinnering.

Holger duwt tegen een opvallende zwart-blauwe ijzeren poort die toegang geeft tot één van de stenen herenhuizen, in de nabijheid van de Selahattin Eyyubi-moskee in het oude centrum van Şanlıurfa.

Want hier moet het zijn, Ani Evi. Het huis van het archeologen-echtpaar, de Duitse Klaus Schmidt en de Turkse Çiğdem Köksal-Schmidt, dat de opgravingen in Göbekli Tepe, zo’n 15 km verwijderd van de stad Şanlıurfa vanaf 1994 uitvoert en beroemd maakt. Tot 2014 want dan overlijdt Klaus plots aan een hartaanval.

Wanneer Klaus Schmidt Göbekli Tepe ontdekt koopt hij uit eigen middelen dit 200 jaar oude huis en twintig jaar lang biedt het een gastvrij onderdak aan het complete team dat Göbekli Tepe blootlegt en onderzoekt. Hij verkeert in de volledige overtuiging dat dit de teamspirit enorm verhoogt, waardoor je goed gemotiveerde en betrokken medewerkers krijgt wat weer leidt tot kwalitatief betere resultaten. Wat Göbekli Tepe inhoudt, komt morgen uitgebreid aan bod. Dan staat namelijk al vroeg een bezoek aan deze archeologische site op ons programma.

Als we de poort achter ons sluiten, staan we in een zonovergoten binnentuin met een weelde aan groen langs en tegen de muren en in het midden een vriendelijk ogende citrusboom die, volgens de eigenares, echter enkel bittere sinaasappels draagt.

Het is hier een oase van rust ondanks dat wij in wezen tóch op steenworp afstand van de drukke, lawaaierige straten van de stad staan.
We lopen verder door de entree die naar de door het huis omsloten binnenplaats leidt. In het midden ligt een vijver, vervaardigd uit oude kalkstenen ornamenten en aan de muren hangt een wissel-tentoonstelling bestaande uit zwart-wit foto’s die op de opgravingslocatie zijn genomen en kleurige schilderijen van Çiğdem zelf, geïnspireerd op de motieven die gevonden zijn in Göbekli Tepe.

Çiğdem neemt alle tijd om ons er over te vertellen. In het Turks, Duits en Engels, het maakt haar niets uit. Maar ondanks dat haar partner ruim vijf jaar geleden is overleden, lijkt zij nog altijd zeer aangeslagen. Het is dan ook geen erg opwekkend gesprek dat wij met haar hebben. Helaas.

Bovendien zijn na de dood van Klaus alle archeologen door het regiem van Erdogan vervangen en is er een andere wind gaan waaien over Göbekli Tepe. Het moet en zal geld in het laatje brengen, dus is het dit jaar uitgeroepen tot Jaar van Göbekli Tepe en wordt dit archeologisch project totaal vercommercialiseerd, onder andere door bierbrouwerij Efes.
Dit alles tot groot verdriet van Çiğdem. Dat spreekt voor zich.

Dit is ook één van de redenen waarom Çiğdem dit huis als herinnering aan Klaus wil vorm geven. In de geest van haar man én zijn team is zij bezig een een museum op te zetten als eerbetoon aan hem, die zo veel heeft betekent voor de archeologie rond deze stad.
Voor ons is dit bezoek aan dit museum alvast een mooie voorbereiding op het ervaren van Göbekli Tepe, morgenvroeg.