Dolend.

“Verdwaal in het grootste doolhof ter wereld!” Dit is de opdracht die je meekrijgt wanneer je Il Labirinto della Masone in Fontanellato, dicht bij Parma, bezoekt. Nou, dat lijkt ons wel wat. Verdwalen en dan zo nog een  stukje aan deze reis toevoegen….. Dus we nemen de gok en kopen een kaartje.

De dame die ons de weg naar de daadwerkelijke ingang wijst, vertelt nadrukkelijk dat we bij wanhoop moeten bellen naar het telefoonnummer dat op het toegangsbiljet vermeld staat. Maar Holger kennende gaat dit niet gebeuren. Hij eet liever het hele bamboebos kaal dan dat hij om hulp gaat vragen. Want dat is het, een bamboebos. Tweehonderdduizend bamboeplanten, zestien verschillende soorten tot wel vijf meter hoog, vormen samen het acht hectaren grote doolhof. Het is het ‘speeltje’ van de Italiaanse uitgever en kunstverzamelaar Franco Maria Ricci.

Het labyrint is aangelegd in de vorm van een ster en biedt totaal drie kilometer aan paden. De bedoeling is dat je uiteindelijk uitkomt bij een piramidevormig gebouw, recht tegenover de inganspoort.

We stappen het hek door, het donkere koele bamboebos in, maar niet voordat Holger een degelijke studie van de plattegrond maakt en ik weet meteen, dat verdwalen gaat écht niet gebeuren.

De bamboe werkt als één grote parasol wat het dolen tot een fijne wandeling maakt. Holger loopt zelfverzekerd zijn pad, checkt dit bij de diverse markerings- en rustpunten, waar bankjes staan voor hen die al uren lopen maar slechts rondjes draaien, en concludeert dat we op de goede weg zijn.

Dit vermeldt trouwens ook het bord, dat we halverwege tegenkomen.


De informatie aan het begin geeft aan dat we ongeveer drie kwartier tot een uur onderweg zijn naar het eindpunt maar na een half uur zien we de poort en de piramide voor ons opdoemen. We zijn er!

In de piramide bevindt zich een hoger gelegen kapelletje met als vloer een mooi ingelegde zwart-wit doolhof. Hier kun je God op je knieën danken, dat je de wandeling door het labyrint tot een goed einde hebt gebracht. Er staat een altaartje met aan weerszijde een beeld van Antonio Schiassi, een beeldhouwer uit de achttiende eeuw. Een Piëta links en een vrouw met een lijkwade van Christus in de rechterhoek.

De oversteek terug naar het hoofdgebouw met de entree is een kwestie van een paar minuten rechtuit lopen. Hier is een museum gehuisvest met daarin de kunstverzameling van Franco Maria Ricci en een bibliotheek waar je naar hartenlust mag bladeren in de kunstboeken en het mooiste en beste kunsttijdschrift ter wereld, FMR, allemaal uitgaven van de uitgeverij.

Ricci komt decennia geleden al met het idee om een eigen doolhof te maken. Hij wordt naar eigen zeggen geïnspireerd door zijn vriend de schrijver Jorge Luis Borges, die door doolhoven gefascineerd is. Ricci ziet doolhoven als symbool voor de menselijke geest.
Voor ons symboliseert onze wandeling door dit labyrint op de laatste dag van onze Italië-ervaring eigenlijk de manier waarop wij elke keer via onze reizen, ons een stukje van de wereld eigen maken.
Nieuw, vreemd, verrassend, wennen, een beetje aanpassen, maar uiteindelijk altijd met een beloning! Mooie ervaringen met mensen, natuur, kunst, verleden, toekomst en met elkaar.
Met Holger als gids door nieuwe steden die ik in eerste instantie als een doolhof ervaar maar die, als we er wat langer zijn, toch helemaal eigen en vertrouwd worden! Het is een geweldige trip geweest door mooi Sicilië en Italië, waarvoor veel dank aan mijn altijd veilige chauffeur, betrouwbare gids en grote liefde!

“La Vita e Bella”.

per quelli che volano.

“In de mooiste tuinen ter wereld smelten kunst en natuur samen. Ernst Veen, oud-directeur van De Nieuwe kerk en De Hermitage in Amsterdam, maakt met de serie Tuinen van Verwondering een droom waar, door over de hele wereld op zoek te gaan naar indrukwekkende landgoederen vol spectaculaire kunstobjecten”.
Zo luidt de NTR-introductie voor de tv-serie, die in de maanden juni en juli wordt uitgezonden. Op 3 juni bespreekt Veen de collectie van Giuliano Gori, die het landgoed ‘Fattoria di Celle’ bewoont, ergens in Toscane. Ik zit met open mond te kijken en bedenk hoe mooi het zou zijn als we daar dit najaar heen zouden kunnen gaan. We gaan immers de maand september naar Sicilië en Italië en als we er nu toch zijn…..
En nu zijn we sinds gisteravond in het gehucht Santomato di Pistoia en als we uit onze ramen kijken zien we het landgoed met de ‘Villa Celle’ aan de overkant liggen, wat hoger in de heuvels. Het zijn gewoon onze overburen voor twee dagen!

Het landgoed ligt niet aan een toeristische weg en het is alleen op afspraak toegankelijk. Minstens zes weken van te voren moet je schriftelijk  of per mail een verzoek  tot bezoek indienen, mét motivatie waarom je dit park wilt zien. Als het verzoek goedgekeurd wordt, krijg je een aantal mogelijke bezoekdata en voor ons is dat 25 september om 14.30 uur geworden. Vandaag dus.
Met Italiaanse gids, want dat is verplicht.
Je motivatie is de toegangsprijs, want de entree is gratis, evenals de rondleiding door de gids.
Langs de landelijke weg er naar toe staat sinds 1986 het huizenhoge kunstwerk van Alberto Burri. Het is een gigantisch oranjerood skelet met brede, gebogen strips die onder en boven verbonden zijn met twee liggende gelijkzijdige driehoeken. De contouren ervan doen ons sterk denken aan een holle pompoen. Dit spectaculaire herkenningsteken ontwerpt Burri speciaal voor de ingang van het beeldenpark. Hier start vanmiddag onze reis door een van de Tuinen van Verwondering.

We rijden, na het hoge metalen hek te zijn gepasseerd, via de onverharde en flink stijgende oprijlaan met hoge bomen aan weerszijden en haarspeldbochten naar het landgoed. De Fattoria di Celle bestaat uit een romantisch Engels landschapspark achter een royaal herenboerenhuis met bijgebouwen, de aangrenzende barokke Villa Celle en de uitgestrekte olijf- en wijngaarden. En hier liggen al die kunstwerken letterlijk verstopt.
Vanaf begin jaren tachtig nodigt Gori Italiaanse en internationale kunstenaars uit om in Celle werk te maken dat in deze omgeving past.
Gori raakt geïnspireerd door tentoonstellingen als Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië waar hij ziet hoe kunstenaars ruimtelijk werk maken voor specifieke plekken. De omgevingskunst die Gori voor ogen staat wordt niet alleen ontworpen voor Fattoria di Celle, het moet ook de tand des tijds kunnen doorstaan. Daarom haalt hij kunstenaars over om uitsluitend met duurzame materialen te werken. Een andere wens is om het bijzondere karakter van het historische Engelse landschap met zijn negentiende-eeuwse-follies, vreemde bouwsels in het landschap, in tact te laten, aangezien hij het park zelf ook een kunstwerk als een kunstwerk ervaart. Een mooi voorbeeld van zo’n follie is het wonderlijke bouwwerk, helemaal bovenaan een groene helling. Het is uit 1845 en heeft een hoge neogotische façade.

In de negentiende eeuw rijden hier koetsjes voor en stappen dames en heren uit voor een ‘high tea’. Deze traditie van theedrinken blaast de Israëlische kunstenaar Dani Karavan nieuw leven in met het werk ‘Teahouse’. Hij installeert in het bestaande interieur een zevenhoekige tafel met in het midden een kegel van thee en plaatst Japanse slippers van keramiek bij de ingang.

De gebruikte kleuren in de overdekte veranda van het theehuisje zijn geweldig. Blauw-gele tegeltjes op de vloer, een sterrenhemel, aangebracht  in de gewelven en in het plafond mooie intens blauwe vlakjes door houtwerk begrensd.

Her en der in het park zijn sculpturen die iets weg hebben van bouwwerken. Ze hebben een sterk verticaal accent. Een van deze bouwwerken, ‘Labyrint’ uit 1982, van Robert Morris staat wat schuin tegen een helling en is opgetrokken uit wit kalksteen en groen slangensteen, zoals die gebruikt zijn bij de bouw van Toscaanse kathedralen, zoals de Duomo di Siena, die we gisteren zagen.

Het is een doodlopend doolhof en een hele klim om er door te lopen, door de schuine ligging. Totaal zestig meter lang, heen en terug.

Heel indrukwekkend is het werk ‘Catarsis’ van de Poolse Magdalena Abakanowicz, uit 1985.

Na het openen van een hek, sta je opeens oog in oog met…ja, met wat.
Het lijken grafstenen deze bronzen staande vormen maar het zijn ook donkere, holle lichamen. Ze doen denken aan sarcofagen maar ook aan gevangenen in een concentratiekamp.

Drieëndertig bronzen figuren die gestileerde en uitvergrote menselijke lichamen zonder hoofd of armen voorstellen. De achterzijde is gesloten en eenvormig terwijl het voorste deel, dat leeg en open lijkt te zijn, verschillen laat zien die ze juist uniek maken.  De kracht van de groep maar ook die van het individu. Ook ervaar je de kwetsbaarheid van de mensheid als je naar deze figuren kijkt.
Hoe dan ook, je voelt je nietig en klein wanneer je je tussen deze sculpturen beweegt.

En dan het veel vrolijkere werk van Daniel Buren, ‘De ontplofte hut met 4 kamers’ uit 2005. Het spiegelende en kleurige kubusvormige paviljoen met daarin vier zalen van gelijk formaat, voelt vervreemdend aan als je erin stapt.

Je weet niet goed meer waar je staat en de mensen om je heen kunnen zowel buiten als binnen zijn. De acht heldere kleuren zijn ontleend aan Photoshop. De omringende natuur wordt er fantastisch mooi in weerspiegeld.

‘The Hand, The Creatures, The Singing Garden’ van de Italiaan Loris Cecchini uit 2012 is sprookjesachtig. Is het een parasietkluwen of een boomsieraad?

Een organisch aandoend sculptuur kronkelt om een deel van een eeuwenoude steeneik, waarvan de stam bestaat uit ruwe schors bedekt met mos. De kunstenaar heeft een tweede huid toegevoegd aan de boom. Veertienhonderd kleine verchroomde stalen elementen die het natuurlijke licht en het omringende groen weerkaatsen, waardoor er een nieuwe, lichte en sprankelende schors ontstaat. 

Als we na een rondleiding van twee en een half uur weer bij de ingang aankomen, zien we opnieuw het werk van Luigi Mainolfi ‘per quelli che volano’, voor hen die vliegen.

Dankzij de wandeling vandaag door deze wondertuin, dankzij al het moois wat we de afgelopen maand onderweg zien, is dit het gevoel dat we hebben. Voor een moment.
Vliegen, om zo vanuit de lucht deze hele afgelopen reis door Sicilië, Calabria, Basilicata, Campania, Lazio en Toscana, Emilia Romagna en Lombardije nog opnieuw te maken. Van begin tot het eind!

Beestenboel.

Waar je je ook begeeft in het middeleeuwse stadje Siena, je ziet beesten.
Allereerst vanwege de zeventien contrade, de wijken waar Siena van oudsher in verdeeld is. Elke contrada heeft zijn eigen grondgebied, zijn eigen kerk, zijn eigen fontein, zijn eigen vlag met wapen en kleuren, zijn eigen hechte gemeenschap en zijn eigen dier. Zelfs families behoren tot die contrada waar in zij geboren zijn. Mocht iemand in een andere contrada terecht komen dan zijn ouders, door een huwelijk bijvoorbeeld, dan ontstaat ook vaak verdeeldheid. In de loop van de geschiedenis zijn al heel wat familievetes geboren en beslecht in Siena.

Het dier, dat de wijk symboliseert,  kom je echt overal tegen als je, zoals wij vandaag, door die betreffende wijk struint. Op vlaggen, wapenschildjes, kaarten, stickers, kerstballen die al in de etalages liggen en op muren en ramen. Ik kies voor de beschrijving van twee totaal tegengestelde beesten,
Il Tartuca, de schildpad en Il Pantera, de panter.
De Contrada della Tartuca heerst in het oudste en hoogst gelegen gedeelte van de stad. De inwoners zijn niet alleen trots op de geschiedenis van hun wijk maar zeker ook op hun dier, ook al lijkt de schildpad misschien niet handig gekozen voor de jaarlijks gehouden strijd Il Palio, die met name om snelheid gaat. Maar daarover straks meer. De grote rivaal van de schildpad is de slak, de Contrada della Chiocciola.

De Tartuca-fontein in de wijk is klein, maar van een vertederende schoonheid. Niet alleen het dier maar ook de contrada-kleuren blauw en geel zijn er prachtig in verwerkt.

In een gebrand-Siena-kleurige muur is een marmeren nis gemaakt met daarin een kind leunend op een water spuwende schildpad, tegen een achtergrond van een stralend geel met blauwe lucht in mozaïek. Het plateautje, waarop het kind en schildpad staan, heeft eveneens een frontje in deze kleuren, net zoals de met marmer ingelegde strip onder het waterbekken, die in blauw verder loopt in het grondvalk van de fontein.

Dat bewoners van deze wijk blij zijn hier te wonen blijkt wel uit sommige versieringen aan huizen, bijvoorbeeld een fraai smeedijzeren hekwerk voor een raam, waarin de schildpad duidelijk aanwezig is.

En dan de Contrada della Pantera. In deze wijk wonen van oorsprong de kooplieden uit Lucca die hun stadssymbool aan deze middelgrote contrada geven. Deze wijk ligt echt op het hoogste punt van de stad, vanwaar hij als het ware over de rest probeert te domineren.  Contrada della Aquila, de adelaar, is de meest gevreesde vijand van de panter.

De panterfontein heeft een wat sombere uitstraling, staat in een donker hoekje en de contradakleuren blauw en rood zijn er niet in verwerkt.
De zwarte panter, in een alerte houding, lijkt net te zijn geland op een marmeren zuil en ernaast staat een bankje waar je even van de rust kunt genieten. Want bij de highlights van de stad, zoals Duomo dei Siena, Piazza del Campo en Palazza Pubblico is het ontzettend druk.
Zo gauw je echter afslaat naar de vele middeleeuwse straatjes en steegjes is het goed te doen en lopen we vaak alleen.

La Lupa, de wolvin, maakt ook onderdeel uit van het dierenrijk in Siena, maar dit beest zie je overal in de stad, ook buiten haar eigen wijk dus.
Als standbeeld of van marmer, in muren aangebracht. Het symbool is ontleend aan Rome, de wolvin die de twee kleine kinderen zoogt, Remus en Romulus.

Het verhaal wil dat Siena gesticht is door de zonen van Remus. Remus kennen we van het verhaal van de stichting van Rome. Hij zou samen met zijn broer Romulus door een wolvin zijn opgevoed. Later strijden beide broers om de heerschappij over de stad Rome, hetgeen Remus met de dood moet bekopen. Zijn broer wordt de eerste koning van Rome en geeft zijn naam aan de Eeuwige Stad. Hoewel Remus verslagen is, verdwijnt hij niet uit de Italiaanse geschiedenis. Dankzij zijn zonen…
Aschius en Senius ontvluchten namelijk direct na de overwinning van hun oom Rome. Romulus wil natuurlijk de hele familie van Remus uitroeien, zodat niemand hem meer van de troon kan stoten. Helaas voor hem staan er voor de zonen van Remus twee paarden klaar, een met een wit zadeldek en de ander met een zwart zadeldek. Zwart en wit zijn dan ook de kleuren van Contrada della Lupo maar ook deze zie je door de hele stad, zelfs in de toren van Il Duomo.

De broers gaan op pad en trekken vanuit Rome in noordelijke richting. Een wolvin vergezelt hen en brengt hen naar een hooggelegen plek.
Toen de broers waren bijgekomen van hun reis, zouden ze het Castello Senio hebben gebouwd, precies op de plek waar nu Siena ligt. Daardoor is de zogende wolvin ook het symbool van Siena geworden en kom je haar, net als in Rome, op elke straathoek tegen.
Op het plein voor de Duomo, in de Duomo, op het Piazza del Campo, op de binnenplaats van het Palazzo Pubblico en op de talloze kleine pleintjes die Siena rijk is. Altijd mét ontblote tanden, je hoort haar bijna grommen. Dit is om de bewoners van aartsrivaal Contrada della Istrice, het stekelvarken, te intimideren.

Tot slotte het paard, waar geen Contrada mee pronkt maar de hele stad.
We komen al snel terecht in een galerie waar alleen maar kunst wordt verkocht die te maken heeft met Il Palio, de paardenraces die twee maal per jaar, op 2juli en 16 augustus worden gehouden.

De entourage voor dit grote festijn is het prachtige schelpvormige renaissance plein “Piazza del Campo”. Voor deze gelegenheid wordt het plein bedekt met een mengsel van zand, klei en tufsteen om het parcours te traceren.

De voorbereidingen voor dit grote gebeuren duren het hele jaar door.
De bewoners organiseren allerlei activiteiten om geld bij elkaar de krijgen om het geheel te bekostigen. Een beroepsjockey wordt zelfs in de arm genomen en deze vraagt al gauw een halve ton om de klus te klaren.
De dag van de race begint al vroeg met de zegening van jockey en paard in de wijkkerk.
Ongeveer 2 uur voor het grote gebeuren begint de parade van de verschillende wijken door het historisch centrum van Siena. Vertrekpunt is de kathedraal Il Duomo en eindpunt is het plein Piazza del Campo. Vaandeldragers, ruiters en andere figuranten in typische middeleeuwse klederdracht vertegenwoordigen hun wijk. De parade wordt afgesloten met de intrede van de kar waarop de prijs, de Palio, pronkt.
Rond 19.00 verzamelen alle deelnemers zich aan de start. De wedstrijdcommissaris organiseert de loting die de startvolgorde bepaalt. Volgens de Italiaanse traditie begint nu het spel van de omkoperij. Jockeys proberen nog vlug de tegenstander om te kopen of een pact te sluiten. Ook valse starts zijn gewoonte. De echte start kan daardoor al vlug een half uur tot een uur vertraging oplopen. De wedstrijd zelf duurt slechts 3 ronden of ongeveer anderhalve minuut. Het paard met of zonder jockey dat als eerste over de eindstreep loopt wint de race. Het komt meermaals voor dat enkel paard aankomt daar het ook voor een professionele jockey niet eenvoudig is om een paard zonder zadel te berijden.

Onmiddellijk na de wedstrijd volgt een totale euforie in het kamp van de triomferende wijk. De jockey wordt van zijn paard gelicht en omhelst en gekust, de tifosi laten hun tranen van vreugde de vrije loop. Het hoogtepunt is echter de parade van paard en jockey door de middeleeuwse straatjes van het centrum van Siena richting kathedraal. In de kathedraal aangekomen wordt het paard tot aan het altaar geleid. Een uniek spektakel.

Het is 24 september vandaag, dus er is geen Palio te zien. Wat we wel zien zijn de gietijzeren ringen aan de dikke middeleeuwse muren, bedoeld om de paarden aan te parkeren.

We zijn veel te kort in Siena maar zien genoeg om te weten dat we hier ooit nog eens terug zullen komen! Hopelijk dan op 2 juli of 16 augustus, om zo de beestenboel van nog dichterbij mee te kunnen maken.

Kleurrijke verbeelding.

Bekend van haar wulpse vrouwenbeelden, Nana’s, en haar vrolijk gekleurde fontein in Parijs bij het Centre de Pompidou, ontwerpt Niki de Saint Phalle een beeldentuin, ‘Giardino dei Tarocchi’, een van de meest betoverende plekjes in Toscane.

Gebaseerd op de ‘Grote Arcana’, de 22 occulte kaarten van het Tarotspel,  probeert De Saint Phalle haar levensvisie neer te zetten. De Tarot kaarten  symboliseren de levensweg die ieder mens aflegt. Ze stellen de verschillende levensstadia op aarde voor, van de geboorte tot de dood.
Met de verwerkelijking van haar fantasietuin komt voor de beeldhouwster haar grote levenswens in vervulling.

Het park ligt mooi en organisch gelegen in de omringende Toscaanse heuvels. Een tufstenen muur omgeeft de tuin en de ingang, in de vorm van een boog, is een ontwerp van de architect Mario Botta, waar ook in Deventer werk van staat. De Nieuwe Poort aan de Mr. De Boerlaan.
Inspiratie voor deze tuin doet Niki de Saint Phalle op in de vrolijke fantasiewereld van Gaudi, verbeeld in ‘Parc Guell’ te Barcelona.
Nadat het idee voor de tuin vanaf 1979 langzaam vorm krijgt, duurt het nog zo’n twintig jaar voordat het project helemaal klaar is. Tijdens de aanleg van de tuin en de bouw van de beelden die de tuin bevolken, woont Niki de Saint Phalle met haar partner, de beeldhouwer Jean Tinguely, in een van haar creaties, De Keizerin.  Je moet wel van spiegeltjes houden als je daar woont.
Je kunt er naar binnen en het speelse interieur bewonderen. In de buik van de Keizerin staat nog een ander beeld, namelijk de Zegewagen.

Kaart VII, De Zegewagen. Deze geeft vrijheidsdrang en ambitie weer.

Vanuit de Keizerin, de enorme roze vrouw met het zwarte gezicht en blauw haar geniet zij van de vorderingen en maakt ze schetsen voor haar nieuwe creaties.

Kaart IV, De Keizerin. Zij symboliseert de vruchtbaarheid en creativiteit.

De 22 beelden, waarvan sommige ruim 15 meter hoog, worden gevormd door een skelet van metaaldraad en beton. Plaatselijke kunstenaars werken de sculpturen vervolgens af met spuitbeton, veelkleurig keramiek, mozaïek en kostbaar glas.

Als je door de Tarottuin loopt, kun je niet anders dan vrolijk worden en dat is precies wat de kunstenares voor ogen heeft. De bezoeker moet blij worden van haar tuin. Wat een kleuren, materiaal en details zijn er te ervaren en te zien. Je kunt overal door, in, langs, omheen en over, waardoor je jezelf een onderdeel van het geheel voelt worden.
Ondanks de drukte, is er altijd wel een plekje te vinden, waar je even alleen kunt zijn met een bewoner van deze tuin.

Kaart XIX, De Zon. Natuurlijk het symbool voor warmte, optimisme en levensvreugde.

Kaart VI, De Geliefden.  Deze kaart staat voor liefde, vriendschap en vereniging.

Kaart XVII, De Ster. Zij straalt hoop, wijsheid en inzicht uit.

Kaart XI, De Gerechtigheid. Zij weegt onkreukbaarheid en objectief inzicht.

We laten ons vandaag met heel veel plezier betoveren in deze prachtige wereld, waarin rijkdom en plezier in het leven hoogtij vieren.

Door de Keizerin en de Keizer, de Geliefden, de Zegewagen, de Kluizenaar, het Rad van Fortuin, de Duivel, de Dood, de Gehangene, de Zon, de Maan, de Ster en natuurlijk  niet in de laatste plaats door de Magiër zelf, Tarotkaart nummer 1…..

Kaart I, De Magiër. Deze kaart staat voor zelfbewustzijn, slimheid en verwondering.

Niet alle 22 beelden staan afgebeeld in ons blog. Dat wordt te veel.
We houden het bij de sculpturen die ons het meest aanspreken en het bezoek aan deze tuin tot een waar feest maken, zonder daarbij de overige creaties tekort te doen.

De kleur van geluk.

Terwijl hij mij de kamersleutel voor kamer 17 overhandigt, vraagt hij of ik het een probleem vind. Ik kijk de receptionist van Hotel Villa Albina in Napels niet begrijpend aan, dus legt hij me uit dat nummer 17 voor Italianen het ongeluksgetal is. Veel hotels hebben dit kamernummer helemaal niet, net als straten en hoge flatgebouwen waarbij huisnummer 17 en etage 17 gewoon overgeslagen worden. Aan nummer 13 echter, hebben zíj weer maling.
Ik vraag hem, waar dit bijgeloof op gebaseerd is, maar dat kan hij me niet vertellen. Dus ondanks dat dit hotel een ex-nonnencongregatie is, er nog altijd bejaarde zusters op de derde etage wonen en we omringd worden door menig Maria-beeld in de tuin, op het dak, in de gangen en in de kapel, lijkt zijn bijgeloof sterker dan zijn geloof.

Vandaag hebben we een autodag. We rijden van Napels naar Toscane, dus ik heb alle tijd om eens te achterhalen waarom het getal 17 in Italië met ongeluk en rampspoed verweven is.
Het blijkt te maken te hebben met de Romeinse wijze waarop je zeventien schrijft, XVII. Dit is een anagram van het Latijnse woord VIXI dat ‘Ik heb geleefd’, oftewel ‘Ik ben dood’ betekent. Deze term is op menig Oud-Romeinse grafsteen te lezen en daar willen de Italianen, bij leven althans, niets mee te maken hebben.
Maar hoe wend je ongeluk en rampspoed eigenlijk af in dit land waar nota bene de baas van de de roomse kerk gezeteld is. Je zou denken dat dit voldoende bescherming biedt, maar niets is minder waar. Waar je je ook begeeft in dit land, overal kom je ze tegen. Il corno rosso, het bloedrode hoorntje, in alle soorten en maten. In menig kerk en kathedraal zie je afbeeldingen van een Madonna met Kind, waarbij het Christuskind een kleine rode hanger om de hals heeft hangen. Een stukje koraal, naar later blijkt.

Maar ook veel Italianen dragen een ragfijn gouden kettinkje met daaraan het kleine hoorntje van bloedkoraal. Als amulet tegen het malocchio, het slechte of boze oog.
Il corno, zoals dit hangertje genoemd wordt, heeft de vorm van een rood pepertje. Elke juwelier stelt ze in zijn etalage tentoon als ketting of oorhangers ,gevat in goud of zilver, maar ook takjes koraal als sieraad zijn een gewild item als bescherming. Mijn verjaardagscadeautje van Holger krijgt zo nóg meer waarde wanneer ik ontdek wat het kan doen.

In de vele souvenirwinkeltjes kun je niet om deze talisman heen.
Soms van koraal, maar veel vaker van plastic, gips of geglazuurd aardewerk. Het doet ons al met al sterk denken aan de blauwe ogen in Turkije. Dezelfde functie, dezelfde kitscherige uitvoering in toeristenstalletjes.

Maar er gaat nog een ander, veel ouder verhaal achter schuil. Al sinds de oudheid wordt koraal gebruikt in sieraden of als decoratie. De relatieve zeldzaamheid van het materiaal maakt het in die tijd erg waardevol en gewild, belangrijke kwaliteiten voor een amulet.
Via de mythologie weet de Romeinse dichter Ovidius met zijn werk ‘Metamorphosen’ ons precies te vertellen waar het koraal oorspronkelijk vandaan komt, namelijk van het bloed van Medusa! Zij wist immers alles en iedereen wat leeft te verstenen met de kracht van de blik in haar ogen.

“………Perseus spoelt in de zee zijn overwinnaarshanden schoon en maakt, om het Medusahoofd vol slangen te behoeden voor ’t grove zand, een zachte bladerlaag op ’t strand, legt daar zeewiertakjes op en dan het hoofd van Phorcy’s dochter.
Het verse wier, vitaal en nog steeds vol eigen zuigkracht, drinkt van Medusa’s kracht. Door het contact ermee versteent het en krijgt in blad en stelen een merkwaardige nieuwe hardheid.
Zeenimfen willen dit verrassende verschijnsel testen op ander zeewier en tot hun vreugd doet zich hetzelfde voor en steeds weer strooien zij dit zeewierzaad over de golven.
En nog steeds heeft koraal dezelfde eigenschap. Het krijgt een harde vorm, als het aan lucht is blootgesteld en wat onder water plant is, wordt daarboven harde steen…….”.

Peter Paul Rubens schildert rond 1617 onderstaand schilderij van het hoofd van Medusa, dat te zien is in het Kunsthistorisch Museum in Wenen.

Sinds deze mythologische oorsprong schildert men koraal eeuwenlang af als een symbool van leven en wedergeboorte en is het een amulet tegen kwade krachten.

De Romeinen zien koraal als een ornament met helende en bezwerende krachten, speciaal met betrekking tot de bescherming van kinderen. Kindersterfte is immers lange tijd erg hoog en dan is de noodzaak iets preventiefs te vinden groot. De kinderen dragen een hanger van koraal als behandeling tegen allerlei ziektes, nachtmerries en pijn bij doorkomende tandjes. Het koraal is zó hard, dat het prima dienst kan doen als bijtring.

In de middeleeuwen krijgt koraal ook een religieus belang en werd het een talisman tegen het Boze Oog.
Tijdens de renaissance blijft deze functie behouden en wordt het veel verwerkt in de productie van heilige voorwerpen. Als bescherming voor kinderen blijft het koraalhangertje ook in gebruik.
Omdat natuurlijk ook het Christuskind enige bescherming nodig heeft, wordt over bestaande fresco’s vaak een koraalhangertje geschilderd.
Voorbeelden hiervan zijn te vinden in werken van Piero della Francesca, Squarcione en de Madonna met Kind-voorstellingen van Jacopo Bellini.

In Zuid-Italië ontwikkelt zich vervolgens een bloeiende handel in devotionele en mythologische objecten van koraal. Door de eeuwen heen kom je dus allerlei versies tegen van il corno rosso. Van hoorntje naar koraaltakje tot rood pepertje.
Wanneer de eerste chilipepers vanuit Amerika in Italië belanden, zijn deze niet alleen populair in de keuken maar doen ze de Italianen ook direct denken aan de bloedkoralen gelukshangers. Waar de oude amuletten de grillige vorm van koraal behouden, krijgt het nieuwe amulet steeds meer de vorm van een rode peper.

Bij toeval vindt Holger in Napels een heel kleine il corno rosso van steen, met daaraan een soort houten bingoschijfje waarop 36 staat. Geen enkel ander getal dan ons huisnummer 36 ligt in de bak. Als dat geen bewijs van geluk is…….we geloven er acuut in. Het hangt nu in onze auto zijn werk te doen, want ook hiervoor geldt: Baat het niet, dan schaadt het niet.

De volgende dag krijgen we nog een leuke aanvulling van onze vriend Guido Orsetti op onze aankoop van het hoorntje met het getal 36.
Droom je van een kat die achter een vogel aan zit, wil je wel een gokje wagen en ben je ook nog in Napels?  Koop dan vandaag een lottobiljet met in ieder geval de getallen 3 en 35. Droom je over je moeder die vers brood bakt? Dan zijn 50 en 52 je geluksgetallen.  Zijn castagnetten het onderwerp van je nachtelijke avontuur, dan is 36 jouw getal!
Negentig verschillende dieren, personen en dingen die in je dromen kunnen opduiken, zijn verzameld in ‘La Smorfia’, het Napolitaanse dromenboek. De naam van dit werk is afgeleid van de Griekse god van de dromen, Morpheus. Bij veel Napolitanen ligt dit door intensief gebruik wat beduimelde boek binnen handbereik.  Het geeft namelijk veel houvast bij het spelen van de lotto aan de hand van een numerologische interpretatie van zijn of haar dromen. Zelfs als je niet kunt lezen, kun je toch de lottohoofdprijs winnen, aangezien het dromenboek een fraai geïllustreerde cijferlijst bevat.

We hebben dan wel niet over castagnetten gedroomd en spelen niet mee in de lotto, maar ook ons huisnummer blijft nog steeds een goede reden voor onze aankoop!

Kunst uit de onderwereld.

Roltrap op, roltrap af, metro in, metro uit. Je waant je in een compleet andere wereld wanneer je met de ondergrondse van Napels reist.
We kopen vandaag een dagkaart, om in ieder geval de twee meest belovende stations uitgebreid te gaan bekijken, het Toledo- en het Università-Station. Onder leiding van Achille Bonto Olivia, de voormalig directeur van de Biënnale van Venetië, zijn sinds 2001 totaal veertien stations langs lijn 1 en 6 van het Napolitaanse metronetwerk volledig onder handen genomen door internationaal bekende architecten en kunstenaars, zoals Alessandro Mendini, Anish Kapoor, Michelangelo Pistoletto, Karim Rashid en Sol LeWitt.
Het mooiste station van allemaal is misschien wel het Toledo Metrostation, dat in 2012 zijn deuren opent. De Spaanse architect Oscar Tusquets Blanca is verantwoordelijk voor het ontwerp dat als thema  licht en water krijgt.
De wanden…..de plafonds…..vrijwel elke vierkante centimeter is betegeld met blauw en witte Bisazza mozaïektegeltjes.

Via de roltrap daal je af in een wonderlijk onderwatertafereel. Of reis je juist naar het Melkwegstelsel, wanneer je met diezelfde trap weer stijgt?
De ‘Crater de Luz’ van Tusquets Blanco, in het plafond boven de roltrap, is een hoornvormige ruimte van 30 meter, die langzaam in opwaartse richting  naar het daglicht toegaat en met haar kleurnuances van blauw het idee van de zee oproept.

In de gang op de tweede verdieping beneden is de 24 meter lange lichtinstallatie ‘On the beach…you and me’ van Robert Wilson te zien.
Je krijgt hier het gevoel langs de zee te wandelen en door het gebruik van elektronische lichteffecten lijkt het alsof de golven komen aanrollen.

Bij een andere uitgang is de installatie ‘Men at work’ van Achille Cevoli te zien. Met zijn beelden herinnert hij je eraan dat alle schoonheid die je ziet uiteindelijk toch echt door arbeiders, door de ‘gewone man’ dus, gerealiseerd is.

William Kentridge geeft met een lange mozaïekwand getiteld  ‘Napels Procession’ de geschiedenis van Napels weer. Vooraan in de optocht loopt San Gennaro, de patroonheilige van de stad. Je ziek dit werk wanneer je de stationshal binnenkomt.

Van dezelfde Zuid-Afrikaanse kunstenaar is een mozaïek, genaamd  ‘Opera d’arte’.

We wandelen, via een deel van de historische stad, naar het volgende kunstproject onder de grond, het Metrostation Università, ontworpen door de Amerikaanse designer Karim Rashid.

Vanaf het eerste moment dat je dit station betreedt is het één groot feest, van kleuren, met een sterk psychedelisch effect. Vloer en muur lijken te bewegen en de motieven veranderen voortdurend.

De treden van twee trappen vormen de gezichten van een langharige schone en een keizerachtig type, die echter verdwijnen zodra je de trap omhoog gaat.

 

Door het materiaalgebruik en rollende leds schittert alles je met enorme kracht en vaart tegemoet. Je kúnt niet doen alsof je niets ziet maar kennelijk raak je er toch aan gewend.  Als reizigers van de net gearriveerde metro langs ons heen lopen, zien ze niet op of om, terwijl wij werkelijk voortdurend met open mond om ons heen staan te kijken.
In de entreehal staan nog wat plastieken. Een grote zwarte zuil met, als je er goed voor staat, aan weerszijde een gezicht en profile  en een  dier van metaal aandoende bollen.

Langs de trappen is een muur met daarop nieuwe, in deze eeuw gecreëerde woorden, wat alles te maken heeft met de digitalisering van onze wereld.

We maken beiden foto’s bij de vleet en Holger voert zelfs wat gymnastische oefeningen uit op roltrappen voor het beste resultaat.
Ik waag me daar niet aan en blijf met beide benen op de grond.

Van alle miljoenen metroritten die er dagelijks wereldwijd worden gemaakt, zijn de meeste simpelweg een middel om een bestemming te bereiken. In veel gevallen zijn het stressvolle reizen, waarmee je de dag mee start of eindigt.
Het doel van dit enorme project is om wat verlichting en vrolijkheid te brengen in de dagelijkse sleur van de metrogebruiker die reist door de ondergrondse binnenstad en dat is volgens ons prima gelukt.
Je kijkt werkelijk je ogen uit en stapt met een opgewekt en energiek gevoel de metro in en uit. Je moet alleen geen haast hebben want dan mis je óf je  metro óf al die overweldigende ondergrondse kunst.
En beide is jammer!

Madre, che bella!

Er staat een paard op een dak  aan de Via dei Musea, in het historische hart van Napels.
Het dak is van MADRE, Museo d’Arte Contemporanea Donnaregina.

Op onze wandeling er heen, attenderen vlaggen en bescheiden billboards ons al op dit kleine pareltje onder de musea van Napels.
De naam verwijst naar het klooster van Santa Maria Donnaregina, gesticht in de dertiende eeuw. Hiervan rest nu nog slechts de kerk. Het Palazzo Donnaregina, waar ook MADRE in is gehuisvest, dateert uit de negentiende eeuw.

In het midden van de negentiende eeuw koopt de Banco di Napoli het pand. Om diverse redenen, zoals WO II en een aardbeving in 1980, verandert het gebouw een aantal maal van ex- en interieur. Na de zware schade en economische instabiliteit staat het vanaf 2001 leeg, maar in 2005 koopt de regio Campanië het om er een museum voor hedendaagse kunst in te huisvesten. De Donnaregina Foundation maakt er kosteloos gebruik van, om zo aan geïnteresseerden moderne kunst te tonen.
Vandaag zijn wij een van die geïnteresseerden en de expositie Pompeii@Madre is de aanleiding voor ons. Een aantal kunstenaars van naam exposeren, ieder in een eigen ruimte, hedendaags werk in combinatie met archeologische voorwerpen die zij als inspiratiebron hebben gebruikt.  Soll LeWitt laat zich leiden door een mozaïekvloer met het werk
“10.000 Lines”.

We zien een blauwe en een rode muurtekening, beide in de vorm van een grote cirkel en gevormd door 10.000 rechte lijntjes die minutieus op de grote oppervlakken zijn aangebracht. Net als bij het mozaïek zie je dit alleen wanneer je er met je neus bovenop staat.

De volgende ruimte neemt Napolitaan Francesco Clemente voor zijn rekening met ‘Ave Ovo’. In het oude Pompeii zijn talloze fresco’s, mozaïeken, beelden en olielampjes gevonden met afbeeldingen die we vandaag de dag als pornografisch bestempelen. In de Oud-Romeinse tijd echter staat de extreem grote Fallus, met of zonder man eraan vast, symbool voor geluk, creativiteit en vruchtbaarheid. Clemente, geobsedeerd door seks, heeft deze schatten uit Pompeii met beide handen aangegrepen.

Hij creëert in zijn zaal fresco’s van monumentale proporties en een keramische vloer, waarin hij oude symbolen van Napels weergeeft, als herinnering aan zijn kindertijd.

In de volgende ruimte laat Jeff Koons van zich zien. In het midden ligt een stapel ballen van klei in verschillende maten. Eén is in een fruitnetje gestopt, waardoor deze op een meloen lijkt.

De grote doeken op de twee muren, ‘Untitled’, doen denken aan verhalende fresco’s uit het verleden.

Anish Kapoor doet mee aan deze expositie met zijn werk ‘Dark Brothers’.
Uit Pompeii staat een Romeinse godenkop in terracotta.

Het kunstwerk op de vloer, lijkt een zwart gat te zijn dat me naar zich toe trekt. Maar het is een vlak oppervlakte dat een aanzienlijke diepte in zich verbergt. Wat voor het oog lijkt, is niet wat het werkelijk is. Zo is het misschien ook wel met de goden. Ze zijn er ,maar ook weer niet, overal en nergens.
Kapoor speelt graag met licht en schaduw, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, vol en leeg, hol en bol en creëert zo graag iets, wat in werkelijkheid niet bestaat.

Ontroerend is het werk van Mimmo Paladino, ‘Untitled’. We zien het beeld van een in Pompeii versteende moeder en kind. Terwijl ik kijk, hoop ik , tegen beter weten in, dat zij plezier hebben en samen aan het spelen zijn, op het moment wanneer de stroom brandende puimsteen en gasgolf hen plotseling verrast.

Tegen de door  Paladino met deels abstracte tekens bekraste muur staat een bijna vrouw-van-Lot-achtige figuur met het gezicht naar de wand gekeerd.
Het lijkt té erg om achterom te kijken en te zien wat de Vesuvius heeft aangericht.

Een aantal Oud-Romeinse grafstenen, gemaakt van vulkaan-, tufsteen of marmer, staat gegroepeerd in het midden van de zaal waar Rebecca Horn haar werk tentoonstelt. Op de voorkant van elke steen is de naam van de overledenen gegraveerd.

In het oude Pompeii stonden deze grafstenen, vaak als familiegroep, buiten de muren langs de toegangswegen van de stad, alsof ze voorbijgangers toefluisteren “Vergeet mij niet”.

Aan de wand hangen zwarte doodskoppen waar een spiegel voor bevestigd is en soms een felle spotlamp. Momento Mori lijkt de boodschap, want als je ervoor staat kijk je naar je eigen spiegelbeeld.

Maar het werk lijkt ook Carpe Diem te zeggen. Pluk de dag, want voor je het weet zit je tijd er op.
Zeker als je Napels hebt gezien!

“Vedi Napoli e poi muori”.

Nu we er toch zijn, willen we wel eens weten waar de oorsprong van deze uitdrukking ligt. “Eerst Napels zien en dan sterven” is de vertaling van deze Italiaanse zegswijze. Maar er wordt ook beweerd dat er in de oudheid bij Napels een plaatsje Muori ligt, dat eveneens zeer de moeite waard is om te bezoeken. In dit geval luidt het spreekwoord dan: “Ga eerst Napels zien en dan Muori”. Deze verklaring is echter meer valse bescheidenheid dan waarheid en de Napolitanen houden dan ook maar wat graag vast aan de eerste vertaling. Dat wij de uitdrukking kennen, hebben we te danken aan Johann Wolfgang von Goethe.
Deze in 1749 geboren wetenschapper en schrijver maakt een zogenaamde Grand Tour, een tussen de zestiende en de twintgste eeuw uitermate populaire reis door Europa voor welgestelde kunstschilders, beeldhouwers en schrijvers, ter afsluiting van hun studie. Het is bedoeld om kennis te maken met toekomstige collega’s en een rondje te doen te doen langs beroemde kunstwerken. Men leert tegelijkertijd nieuwe technieken, talen, geschiedenis van de oudheid, kunst en bouwkunst en het is een buitenkans om te werken aan contacten. Netwerken avant la lettre dus!
Goethe verblijft van 1786 tot 1788 in Italië en alles wat hij ervaart, legt hij vast in brieven naar zijn familie in zijn geboorteplaats Weimar en in een dagboek, getiteld ‘Italienische Reise’. Hij was vooral diep onder de indruk van Napels. “Een mens die Napels heeft gezien, kan nooit meer treurig zijn”, aldus Goethe.

In het tweede deel van zijn dagboek beklimt de schrijver tussen twee erupties van de Vesuvius deze vulkaan. Hij bezoekt ook Pompeii, de versteende stad die een wonderlijke indruk bij hem achterlaat. Hij schrijft echter ook over de inwoners van Napels en hun manier van leven.
Vooral de enorme hoeveelheid voedsel dat overal ligt uitgestald is een punt van aandacht. De Napolitanen eten veel en met graagte. Elk jaar rijdt een stadsbeambte, vergezeld door een trompetter, door de stad en verkondigt luid op alle pleinen en kruispunten hoeveel duizenden ossen, kalveren, lammeren varkens en vissen de inwoners van Napels verorberen in het afgelopen jaar.Het volk luistert aandachtig en schept een mateloos genoegen in deze grote getallen en iedereen herinnert zich met plezier zijn eigen aandeel in deze consumptie.
Goethe beschrijft zijn Siciliaanse en Napolitaanse ervaringen met een enorm enthousiasme. Plaatsen, bouw- en kunstwerken die vandaag de dag nog altijd te bewonderen zijn. Ook vermeldt in zijn dagboeknotities dus de in Napels veel gehoorde uitdrukking “Vedi Napoli e poi muori”, waar hij zich helemaal in kan vinden.

Tegenwoordig zit zo’n Grand Tour er niet meer in, althans niet voor ons.
We reizen dan wel korter, maar genieten niet minder enthousiast dan Goethe. Vandaag maken we onze eerste wandeling door Napels, waar we tot zaterdag blijven. We komen ogen tekort.

Kleur, balkonnetjes, beelden, street art, de platanen en nog veel meer. De eerste indruk is overweldigend, evenals het hoogteverschil tussen ons hotel en de oude stad. Maar daar heeft de Napolitaan al in 1880 iets op gevonden, de funicolare. Een kabeltreintje dat je in een mum van tijd 1200 meter verder en 170 meter hoger brengt. Zo’n 13% stijging dus, té veel voor onze ledematen op leeftijd.

Onwillekeurig schiet het nummer “Funicoli, funicola” me te binnen, terwijl we omhoog gaan richting Vomero-heuvel. Peppino Turco en Luigi Denza schrijven dit wereldberoemde Napolitaanse lied. Het duo doet mee in 1880 aan een soort songfestival dat deel uitmaakte van het volksfeest Piedigrotta. Eigenlijk is het niet meer dan een grap, een liedje in het Napolitaans dialect ter ere van diezelfde funicolare, die eerder dat jaar, op 6 mei, haar eerste rit maakt op de helling van de Vesuvius. Napels telt inmiddels vier lijnen, waarin  je de tekst naar hartelust kunt zingen, terwijl je het oude centrum steeds kleiner ziet worden.
Jammo, jammo, ncoppa jamma, ja!

Napels gaan we verder zien de komende dagen, maar het sterven, dat laten we voorlopig maar even voor wat het is !

Vluchten kan niet meer.

In de verte zien we de boosdoener van destijds verrijzen, de Vesuvius. We zijn onderweg naar Napoli, onze volgende eindbestemming, maar we kúnnen Pompeii natuurlijk niet links laten liggen.

Het is een verwoestende gaswolk en de stroom aan puimsteen die, na de uitbarsting van de beruchte vulkaan, zorgt voor een beschermende dikke laag as, ruim 5 meter dik. Hierdoor zijn in Pompeii de best bewaarde ruïnes te vinden uit de antieke oudheid. Door de aspluim die de Vesivius enkele dagen voor de fatale datum van 24 augustus 79 al vrijlaat, kiezen de meeste bewoners het zekere voor het onzekere en ontvluchten de stad. Twee dagen later verdwijnt de stad totaal.
Wat doe je tegen een gevaarte van gas, puimsteen dat met tachtig km per uur en 400 graden Celsius de berg afstormt? Niets dus. De daardoor veroorzaakte wolk doet zelfs de zon verduisteren, volgens vulkanologen.
De bijna 2000 mensen die om wat voor reden blijven of terugkeren, hebben geen schijn van kans en kunnen geen kant meer op. Vluchten kan niet meer. Ze sterven onmiddellijk door het vallende puimsteen, het verstikkende gas en de brandende as.
Het is vreemd, maar het duurt tot in de 18de eeuw voordat men begint met opgravingen, wederom dankzij koning Karel IV van Napels. Van de 66 ha is er inmiddels al zo’n 50 afgegraven. Een grote weelde aan architectuur, beelden, steengoed, mozaïeken en fresco’s valt ons hierdoor ten deel.

Pompeii geeft een goed beeld van een Oud-Romeinse stad uit de zevende eeuw BC tot 79 AC. Osken, Samnieten, Grieken, Etrusken en Romeinen laten er allemaal hun sporen achter. We lopen door goed bewaarde straten. Huizen, taveernes, bakkerijen, het is allemaal goed van elkaar te onderscheiden.
Hoewel wij slechts een deel van de stad zien, is dit al te veel om te beschrijven. Ik beperk me in dit blog tot twee bezienswaardigheden die veel indruk op ons maken.
Het eerste is “Casa della Venere in Conchiglia”, het Huis van Venus Marina,  ooit de woning van een rijke familie.
Op het moment van de ramp is men nog bezig met restauratiewerkzaamheden. Het huis is zwaar beschadigd geraakt door de aardbeving, die de stad 17 jaar eerder treft. Opvallend aan deze woning is het peristilium waarin op de achtermuur het geweldig mooie fresco “Venus in de schelp” is aangebracht. Haar zoontjes Cupido, zoals altijd op een dolfijn, en Antros vergezellen deze godin van de liefde en de vrouwelijke schoonheid.

Links van haar staat Mars in een paradijselijke setting.
Mars is de Romeinse god van de strijd, dood en oorlog maar had daarnaast ook nog wat vruchtbaarheidsfuncties. Immers, er heerst ook wel eens vrede en dan moet je toch ook iets te doen hebben. Hij is de meest vereerde god in Italië omdat hij de vader is van Romulus en Remus, de stichters van de stad Rome.
Rechts een afbeelding van allerlei vogels, waaronder twee tortelduiven die  uit een fontein drinken.

Overigens is een peristilium een door zuilengalerijen omgeven niet-overdekte ruimte. Het heeft meestal de functie van een binnentuin. Het is vaak versierd met fonteinen en muurschilderingen, wat dus hier het geval is. Het toeval wil dat Holger vlak nadat we dit zien, een foto weet te maken van een slechtvalk, te zien op een van de vogelcompilaties.

We zien regelmatig fresco’s tijdens onze wandeling door deze Oud-Romeinse stad. Het valt op dat er vaak hoofdjes als klein detail te zien zijn die verschrikt en ontzet van zich af kijken.

Het lijkt alsof zij al weten, wat de stad Pompeii op een dag voor vreselijk drama te wachten staat. Want dat besef je toch wel terdege, wanneer we ”Orto dei Fuggiaschi”, oftewel de Tuin der Vluchtelingen in lopen.
Er is geen andere plek waar de huiveringwekkende gebeurtenis van zo lang geleden zo dichtbij komt als hier. In 1961 doen opgravers midden in de wijngaarden een bijzondere vondst. Versteende overblijfselen van dertien personen, zowel volwassenen als kinderen, die hier hun toevlucht zoeken wanneer de Vesuvius uitbarst. Zij rennen in paniek de stad uit, richting stadsmuren, in een poging te ontkomen aan die enorme regen van puimsteen, die het begin van de zo beroemde uitbarsting kenmerkt. Meteen daarna volgen de asregens die hen fataal worden.

De mummies vertellen het verhaal over de ramp misschien nog wel het best. De as- en puimregens zetten zich vast als cement om de lichamen. Dit versteent en de zachte delen in de lichamen verteren door de tijd heen. Maar door een speciale techniek zijn de lichamen van deze overledenen te zien. Vloeibaar gips wordt gegoten in de holte die door het lichaam in de gestolde laag as is achtergelaten en die de exacte vorm van het lichaam heeft behouden.
Wat het zo indrukwekkend maakt zijn de gezichtsuitdrukkingen waarmee en de houdingen waarin de lichamen vereeuwigd zijn. De vertrokken gezichten van de vluchtende mensen of die van hen die angstig in elkaar gedoken zitten, allemaal in een verkrampte houding. Je kunt de pijn en angst die ze moeten hebben doorstaan nog altijd voelen.

Het is duidelijk te zien, vluchten kon niet meer.

Dat is buffelen vandaag.

Tenuta Vannulo. Letterlijk betekent dit het landgoed dat niets waard is. Maar we nemen vandaag niet alles letterlijk, en dat blijkt zijn waarde ook te hebben! Het schrikt Antonio Palmieri in elk geval niet af, wanneer hij in 1988 een vervallen landgoed en de bijbehorende moerassige landerijen koopt, waarvan hij de de mooiste buffelboerderij in de omgeving maakt.

Antonio trekt zich niets aan van de prijzen en de DOP’s, verklaringen van echte buffel mozzarella, die andere bedrijven krijgen. Hij vertrouwt op zijn kennis en ervaring om een product te maken dat zijn weerga niet kent. Het begint al met zijn keuze voor het halen van waterbuffels uit India, die volgens hem nog smaakvollere melk geven dan de al in Italië aanwezige soortgenoten.

Antonio gelooft dat blije buffels meer en smakelijkere melk maken. Met dat in gedachten, hebben zijn vijfhonderd kilo wegende zwarte waterbuffels een aangenaam leven.
Loungend op rubbermatrassen,  zichtbaar genietend van massageborstels, kauwend op organisch hooi met verse kruiden, douchend in druppels van fijne nevelsproeiers, gekalmeerd  worden door jazz en klassieke muziek.
Zo komen zij de dag wel door.

Hier wordt een buffel, indien nodig, alleen behandeld met homeopathische middelen. Het is een 100% organische boerderij, een van de weinige in deze streek. Illustratief is ook hoe de overlast van vliegen aangepakt wordt. Niet met insecticiden maar met effectieve vangzakjes waar suikerwater het vergif vervangt als gebruikt lokmiddel.

De buffels geven pas melk vanaf hun derde jaar en niet langer dan tien maanden na de geboorte van een kalf. De buffels die momenteel niet produceren vormen de helft van de veestapel. Deze buffels lopen meestal in de wei.
De buffels die melk geven wonen in een stal met de modernste technieken. Ze bepalen zelf wanneer ze gemolken willen worden, maximaal drie maal per dag. Rustig lopen ze naar de volautomatische melkmachines en wachten geduldig in een rijtje tot ze aan de beurt zijn.
Deze melkrobot biedt het dier de mogelijkheid tot zelfmanagement, waardoor het melkproces natuurlijker en minder stressvol verloopt.

Uitgangspunt is dat de buffels individuen zijn met hun eigen speciale wensen. Als je goed kijkt, zie je ook dat ze allemaal een eigen uiterlijk en uitstraling hebben. Een kleine afwijking is dan ook geen punt dat blijkt wel als we een dame zien van wie de linkerhoorn niet helemaal staat zoals het hoort. Geen probleem, ze doet gewoon mee in de kudde.

De buffels gedragen zich heel mak en relaxed. Dat ervaren we als we een rondleiding in de stallen krijgen. Tenuta Vannulo is bekend bij prestigieuze restaurants en foodies in het binnen- en buitenland vanwege  de productie  van een legendarische mozzarella di bufala.
De boerderij produceert én verkoopt zo’n 400 kilo mozzarella per dag waarvoor zo’n 1500 liter buffelmelk wordt gebruikt. Het grootste deel koopt de lokale bevolking, wat rest is voor de serieuze liefhebber die er soms uren voor rijdt.
Van achter glas zien we hoe de mozzarella getrokken wordt, een interessant schouwspel dat meteen duidelijk maakt waarom met de hand gemaakte  buffelmozzarella relatief duur is. Vakmanschap, handenarbeid, de beste ingrediënten en materialen en geduld met liefde zijn nodig om te komen tot dit verrukkelijke kaasje.

Mozzarella wordt binnen een paar uur gemaakt. De jonge kaas lekt even uit en wordt daarna met heet water gekneed om een romige structuur te krijgen. Vervolgens wordt dit elastische ‘deeg’ in bollen verdeeld. Mozzare is het Italiaanse woord voor knijpen of snijden. En dat is precies wat er met dit verse, ongerijpte kaasje ‘zonder jas’ gebeurt. Gekookte wei wordt met een rulle, gestremde massa, zoiets als cottage cheese, vermengd tot draderig spul, de pasta filata. Vervolgens wordt de kaas opgerekt, de kaasmaker knijpt er een stuk af (mozzare!) en formeert dat tot eivormige balletjes van meestal zo’n 80 tot 100 gram. Dan worden de kaasjes in eigen weivocht  gelegd en… direct opgegeten. Want dagverse mozzarella, druipend van de wei, eten Italianen acuut. Het liefst binnen vierentwintig uur.

Natuurlijk eindigt de gids haar rondleiding met een kleine proeverij. We krijgen op een vorkje, als ware het een lollie, elk een paar heerlijke dagverse mozzarella bolletjes om op te eten. Zo zacht en kruidig hebben we het nog nooit gegeten!

Vandaag zien we dat een stuk waardeloos land met inzet, passie en visie is omgebouwd tot een top organische en uiterst diervriendelijke boerderij, waar volgens velen de beste mozzarella ter wereld wordt gemaakt. Dat zoiets mogelijk is, stemt tot tevredenheid en hoop voor de toekomst op wat betreft dierenwelzijn in de voedingsindustrie.

Naast mozzarella zijn er nog meer producten te koop. Buffelyoghurt, ijs, spreads van buffelboter en noten, buffelleren producten en meer. Al met al een reden voor velen om hier naar toe te gaan. Vanuit de hogeschool voor kunsten in het nabijgelegen Salerno is een mooi storyboard gemaakt van een bezoek aan Tenuto Vannulo, zoals ook wij dat vandaag hebben gebracht.