De Turkse Rembrandt.

Osman Hamdi Bey

Rembrandt staat tot Osman Hamdi Bey is als ‘De Nachtwacht’ staat tot ……
Als ik deze analogie zou moeten oplossen, koos ik voor het doek ‘Schildpadtrainer’ en ik denk dat 99,9% van de Turken die deze vraag krijgt voorgeschoteld dit ook zou invullen.
Maar helaas, het is fout! Het goede antwoord is ‘Meisje dat de Koran leest’ dat in 2019 voor 7.1 miljoen euro verkocht wordt op een Londense veiling. Het mag dan het Turkse schilderij zijn waar ooit het meeste geld voor is neergeteld, het bekendste werk van Osman Hamdi Bey is en blijft toch ‘Schildpadtrainer’ uit 1906 wat wij ooit zagen in Pera Müzesi. Het doek vormt een bedekte aanklacht tegen de grote politieke en sociale onrust in het Osmaanse Rijk van die tijd, waarvan het verval inmiddels was ingezet. De hervormingen, door Sultan Abdülhamid ll ingevoerd, kostten een hoop geld en energie maar misten hun doel volkomen. ‘Schildpadtrainer’ was dus een satirisch bedoeld statement dat door de tegenstanders van het sultanaat goed begrepen werd.

Holger en ik zijn vanmorgen als enige bezoekers in het Mimar Sinan Heykel ve Resim Müzesi waar momenteel de expositie ‘Osman Hamdi Bey’ te zien is met een deel van het werk van Turkije’s bekendste gelijknamige kunstschilder.

Reden voor deze tentoonstelling is het 140-jarig bestaan van Mimar Sinan Güzel Sanatlar Üniversitesi, de eerste kunstacademie in het huidige Turkije en opgericht door bovengenoemde kunstschilder, -historicus en archeoloog in opdracht van Sultan Abdülhamid ll. 

Het eerste dat we zien als we de zaal binnenkomen is een marmeren buste van de beste man tegen een okergele achtergrond.

Het werk van Osman Hamdi Bey is in drie categorieën te verdelen.
Kleine portretjes van zijn echtgenote, zoon, dochter en neef en vrienden die duidelijk naturalistisch en met veel liefde zijn afgebeeld. Dan enkele landschapjes in licht impressionistische stijl en tot slot de grote Oriëntaalse taferelen die hij vooral voor de Europese markt schilderde. 

Het doek van zijn vrouw met mimosatak in de hand schijn dé favoriet te zijn van deze tentoonstelling, maar ons spreken de Oriëntaalse werken erg aan. Ze zijn in zekere zin informatief en het is grappig om te zien hoe de schilder allerlei foto’s in een hoge hoed gegooid lijkt te hebben en zo een compositie heeft laten ontstaan. 

Als we bijvoorbeeld naar het doek Konuşan Hocalar kijken krijgen we via de uitleg te zien dat het is opgebouwd door met behulp van oude foto’s en diverse nog altijd bestaande details van verschillende religieuze gebouwen. 

De zittende godsdienstleraar is naar een foto uit 1890 geschilderd, evenals de lezende hoca aan de rechterzijde.

Het portaal voor de deur naar het klaslokaal is die van de Hatuniye Medrese in Karaman, zo’n 800 km verwijderd van Istanbul.

De hangende olielamp aan het plafond komt oorspronkelijk uit Gebze Çoban Mustafa Paşa Külliyesi en is tegenwoordig te zien in het Türk ve Islam Eserler Müzesi hier in Istanbul waar we gistermiddag waren.  
Gebze ligt 70 km van Istanbul.

Ook de linkerhelft van half openstaande deur staat in datzelfde museum, maar komt van oorsprong uit de Konya Alāeddin Camii, een kleine 500 km van Istanbul.


Mooi toch, dat de herkomst van de details van dit doek te achterhalen zijn en dat de afbeelding op het doek dus geen bestaand beeld is wat door de technisch-academische benadering wel gesuggereerd wordt. Zo wordt elk Oriëntaals doek dat hier hangt beschreven, voor de toeschouwer een interessante benaderingswijze. 

Dit is het laatste blog van ons kort voorjaarsverblijf in Istanbul.

We hebben weer volop genoten van elke dag en kijken al weer uit naar komend najaar wanneer we onze geplande rondreis door een deel van Turkije zeker weer in Istanbul zullen beëindigen. 

Dus sluiten we af met een “Görüşürüz Istanbul!”

Een legpuzzel van tachtig miljoen stukjes.

Het moois begint voor ons al met het toegangskaartje, wat ons herinnert aan vroeger toen je bij elke bezienswaardigheid ook zo’n prachtig ticket met een kleurige en toepasselijke afbeelding kreeg. 

We zijn vanmorgen bij het Istanbul Büyük Saray Mozaikleri Müzesi, oftewel het Mozaïekmuseum van Istanbul, waar een van de mooiste mozaïeken ter wereld te zien is. 
Het kunstwerk is gemaakt tijdens de Oost-Romeinse tijd van 610 tot 641 na Chr. en is bewaard gebleven uit het Grote Paleis van Constantinopel.

Kunstenaars uit alle hoeken en gaten van het Byzantijnse Rijk komen in die tijd samen om op de vloer van het paleis een gezamenlijk werk te maken van 1872 vierkante meter groot en met behulp van 75 tot 80 miljoen vierkante steentjes. Deze steentjes meten vijf bij vijf mm en zijn gemaakt uit kalksteen en marmerglas in de meest subtiele kleurnuances van rood, bruin groen en blauw maar ook zwart doet mee.

Wanneer jaren later afbeeldingen van mensen in de islam verboden wordt, bedekt men het grondmozaïek met enorme marmeren vloerpanelen om vervolgens in de vergetelheid te raken. 

Vanwege het vijandelijk gevaar dat uit zee kan komen verplaatst men in de Ottomaanse tijd de sultanpaleizen naar het gebied langs de Gouden Hoorn en op de plek waar het mozaïek nog altijd verborgen ligt wordt een woonwijk bestaand uit houten huizen gebouwd in opdracht van Fatih Sultan Mehmet, de veroveraar van Istanbul.

Als deze wijk door een grote brand platgelegd wordt, duiken het waanzinnig goed geconserveerde mozaïek en de overblijfselen van de paleizen weer op. 

Graafwerkzaamheden en opgravingen beginnen in 1921 maar komen na een tijd stil te liggen. Tussen 1935 en 1951 echter, wordt de klus weer opgepakt en voltooid.


De op de natuur gerichte afbeeldingen gaan over het leven de herder in de open lucht, de boeren aan het werk op het land en de moed van de jagers, in gevecht met de meest gevaarlijke dieren.

Maar er zijn ook taferelen met spelende kinderen, grazende dieren in de wei of in het wild en zelfs wezens uit de mythologische verhalen.
Al met al een legpuzzel van tachtig miljoen stukjes, helaas niet meer compleet.

Een stoffige reis door Turkije.

Vaak zijn mooie dingen verrassend dichtbij en dat is vandaag ook het geval. 
Als Holger en ik gisteren langs Tophane-i Amire lopen, op steenworp afstand van ons hotel in Karaköy, zien we een in het oog springend billboard dat ons vertelt dat er een expositie gehouden wordt, getiteld Türkiye Dokuma Atlasi. 

Het woord dokuma ken ik, dat betekent weven, dus de belangstelling is meteen gewekt en vanmiddag lopen we er verwachtingsvol naar toe.
Het Tophane-i Amire-complex is een voormalige Ottomaanse kanonskogelgieterij uit de vijftiende eeuw, gebouwd in opdracht van Sultan Mehmet de Veroveraar. Het gebouw heeft lange, rechte en hoge gewelfde muren met diverse groene metalen deuren en een groot aantal schoorstenen op het dak. 

Enkele jaren geleden is het gebouw volledig gerestaureerd en het maakt deel uit van de Mimar Sinan Üniversitesi en wordt tegenwoordig gebruikt als cultuurcentrum en dus tevens als tentoonstellingsruimte.
Buiten herinnert een draadstalen korf gevuld met ijzeren kanonskogels en wat onkruid nog aan wat hier ooit is geweest.

De expositie zelf heeft als doel lokale traditionele gewoven stoffen uit bijna alle Turkse provincies te doen herleven en waar kan nieuw leven in te blazen.
Ik beschrijf in dit blog enkele stoffen die ons erg aanspraken. 

Allereerst de stoffen die in Istanbul werden gefabriceerd om zowel onder- als bovenkledingkleding van te maken voor de vrouwelijke en mannelijke hotemetoten aan het hof van de sultan.

Omdat de weefgetouwen in de wijk Tepebaşı stonden, worden deze stoffen ook wel Tepbasi genoemd. We zien stoffen geweven van zijde en zeer fijne wolsoorten waarop in verschillende borduurtechnieken en met diverse materialen is geborduurd is. Goud- en zilverdraad, parels, koraal, pailletten en kralen gecombineerd met allerlei borduurgarens in veel kleurennuances geven de stoffen een zeer rijke en chique uitstraling, wat natuurlijk ook de bedoeling was. De natuur was de inspiratiebron voor de patronen. Zo zien we onder meer bloemen, takjes en bladeren afgebeeld op de dicht geweven stoffen. Prachtig om te zien, maar of de kleding die hieruit vervaardigd was erg draagbaar was, dat waag ik te betwijfelen. Zelfs als je de hele dag alleen maar mooi hoefde te zijn.

Van een heel andere orde zijn de stoffen uit Bayburt die ehram worden genoemd, een woord uit het Arabisch dat zoveel betekent als een staat van reinheid tijdens het volbrengen van de Hadj. Ook verwijst het naar de kleding die gedragen wordt tijdens de Hadj.


Ehram wordt geweven met natuurkleurige wol en met vooral paars-, koffiebruin, indigoblauw-, muisgrijs- en zwartgekleurde weefgarens. De stof wordt gebruikt om bovenkleding van te maken.
Leuk detail is nog dat de kleur iets zegt over de leeftijd van de vrouw die het draagt. Hoe donkerder de stof, des te meer jaren zij telt. 

De luchtig aandoende crèpe-achtige stoffen, genaamd Pembezar, komen uit de provincie Muğla, gelegen aan de zuidwest kust.

Voor de inslag wordt zijde en voor de ketting meestal katoen gebruikt, beide in de natuurlijk witte kleur. Vaak zie je rode, blauwe of oranje lijnen geweven op de weefranden. De stof wordt na het weven gelijk gewassen en krimpt dan zo’n 40 tot 50%, waardoor het de crèpe-achtige structuur krijgt. 
De stof, die zeer aangenaam draagt in het warme klimaat aan de kust, wordt gebruikt voor bovenkleding. 

Via de stoffen reizen we in twee uur tijd heel Turkije door en onze privé-gids Eda, student aan de Mimar Sinan Üniversitesi, valt bijna om van verbazing als zij hoort dat wij door de jaren heen alle provincies wel bezocht hebben. Op één na en dat is Hatay, maar dat staat op de lijst voor komend najaar. 

We zijn de enige bezoekers en Eda leidt ons met heel veel enthousiasme door de expositie, wat zeer aan ons besteed is.

Aan het eind van de stoffige reis mag ik nog een stofje uit een mand kiezen waarvan ik hoop dat het in de toekomst gefabriceerd blijft worden. 
Het lapje van mijn keuze voeg ik met veel plezier toe aan de verzameling die al op het prikbord bevestigd is.

Liefde voor de Anadol

Ik roep Holger terug, die er zo maar aan voorbij loopt. Er staat een oldtimer op de stoep waar weliswaar het een en ander aan moet gebeuren, maar die toch mooi genoeg is om even te bewonderen. Het is een zandkleurige Dodge waarvan de bumper helemaal zelfs helemaal omwikkeld is met dik sisaltouw.

Als we omhoog kijken, zien we dat we voor AK KLASIK GARAJ staan wat een eenmansbedrijfje blijkt te zijn van ene Eyüp Akdağ. Als de garagehouder ons in de gaten krijgt, nodigt hij ons onmiddellijk uit in zijn werkplaats om de nog te restaureren oldtimers te bekijken.
Holger raakt helemaal lyrisch als hij enkele Anadol-modellen ziet staan, destijds dé moderne auto, helemaal van Turkse makelij.
In december 1966, Holger woont dan al een tijdje in Istanbul, rolt het allereerste exemplaar van de Anadol in Istanbul van de band.

De Anadol is een tweedeurs sedan, waarin een 1200 cc Ford Anglica Super-motor zit. Hij weegt iets meer dan 800 kilo en heeft voor die tijd afwijkende grote ronde koplampen . Het bijzondere aan het voertuig is verder dat de carrosserie bestaat uit glasvezelversterkte kunststof.
Al snel wordt de Anadol voor de Turken wat de Trabant dan reeds is voor de Oost-Duitsers, namelijk hét bewijs dat je als land meegaat in de technologische vooruitgang. De slogan luidt dan ook: “Anadol, de auto van dit land”.
Via een uitgeloofde prijsvraag komt de naam Anadol als winnaar uit de bus, wat verwijst naar Anatolië en in het logo van de merk krijgt het Hittitische hert de hoofdrol, een belangrijk Anatolisch symbool dat herinnert aan de Hittieten. Di was een volk uit de bronstijd, dat leefde rond de stad Hattuşa in noord-centraal Turkije.

Ruim twintig jaar en enkele modellen, waaronder een pickup versie, later stopt de productie en vandaag de dag is de Anadol een geliefde oldtimer. 

Maar terug naar Eyüp Akdağ, een expert in het restaureren van oldtimers van merken als Dodge, Mercedes, Opel en Ford maar, vertelt hij, zijn specialiteit is toch wel de Anadol.

De wanden van de relatief kleine werkplaats zijn behangen met wieldoppen en vitrinekastjes staan vol met autoradio’s en allerlei meterklokjes.  

Eyüp vertelt enthousiast en met veel liefde over zijn werk. Auto’s die weer helemaal in de originele staat zijn teruggebracht, verkoopt hij met regelmaat aan klanten in Qatar en de andere zet hij in een drie verdiepingen tellende showroom, elders in Istanbul. Ook daar zijn we natuurlijk van harte welkom en als we in het najaar hier weer zijn, zullen we dat ook zeker doen. 

Als herinnering aan deze weer bijzondere ontmoeting, geeft Eyüp ons een gegoten embleem van het Anadol-logo cadeau en natuurlijk gaan Holger en ik tot slot nog even met hem op de foto. 

Een unieke plek.

Het witte gebouw waarvan de muren wel gekantklost lijken, steekt op afstand al prachtig af tegen de strakblauwe lucht maar staat tegelijkertijd in schril contrast met de oude, meestal slecht onderhouden huizen in de directe omgeving. 
We zijn in de wijk Dolapdere, waar sinds 2019 het museum Arter is gevestigd op initiatief van de Vehbi Koç Foundation en waar hedendaagse kunst tentoongesteld wordt.

Op dit moment loopt de expositie ‘Locus Solus’ en na het betalen van nog geen twee euro per persoon mogen wij het indrukwekkende pand betreden. 

Het Latijnse Locus Solus betekent zoveel als unieke plek en wat dat betreft zou het ook de naam van het museum zelf kunnen zijn.
Zevenentwintig nationale én internationale beeldende kunstenaars zijn uitgenodigd om werk te tonen dus er is genoeg te zien. 

Wat op zowel Holger als mij veel indruk maakt is de installatie ‘Panorama’ van de Franse kunstenaar Eva Jospin. Het werk is eigenlijk een combinatie van beeldhouwkunst en architectuur. Als we de tienhoekige houten constructie via een hoge, kerkdeurvormige opening betreden, wanen we ons onmiddellijk in een andere wereld. 

We staan in een ronde, intieme en sfeervol verlichte ruimte die omgeven is door een bosachtige wand van bijna vijf meter hoog en hoewel de diameter ruim negen meter is, suggereert het veel meer diepte. 

Eva Jospin gebruikt hout, karton en lijm voor dit ongelooflijk imposante werk.

Karton is haar favoriete materiaal en door het naast elkaar te plaatsen of over elkaar te leggen in meerdere lagen, kan zij het beeldhouwen, snijden en vormen. Van dichtbij is deze kartonconstructie goed te zien.

De installatie is spectaculair, tijdloos en universeel en eenmaal binnengetreden laat het onze ogen dwalen tussen kreupelhout, bos en grotten.

Koper, leer, teer en acrylverf en gebogen multiplex oppervlakken van ruim twee en een halve meter hoog. Met deze materialen creëert de Turkse Inci Evinler haar installatie, genaamd ‘Body Geography’. Het complete werk bestaat uit de zeven “heuvelen” waarop Istanbul is gebouwd en waarvan er op deze tentoonstelling drie te zien zijn. 

Evinler verbindt de natuur met de van oorsprong nomadische cultuur door gevonden vormen, symbolen en afbeeldingen te combineren met anatomische tekeningen. Alles wat door moderniseringsprocessen ooit is beschadigd, probeert zij op deze manier te herstellen.

Osman Dinç werkt graag met glas, steen, staal, aluminium en hout waarmee hij de verschillende tijdperken vertegenwoordigt.

Zijn installatie ‘Nightmare of the Shepherd Who Fell Asleep’ maakt deel uit van deze expositie.

Op de grond ligt een schapenvacht waarop aan het hoofdeind een bewerkt stuk onyxmarmer geplaatst is. 

Het doet sterk denken aan een kleine graftombe, zoals we vaak zien op oude islamitische begraafplaatsen.
In dit werk komen leven en dood, mens en dier, droom en werkelijkheid en lichaam en geest samen. Bijzonder toch, wat iemand kan oproepen met behulp van zo’n minimaal en suggestief beeld.

Natuurlijk, letterlijk is in slaap vallen tijdens de nacht is een ware nachtmerrie voor een schaapsherder maar ook figuurlijk waarschuwt dit werk ons voor ongelukken die zich kunnen voordoen tijdens momenten van zwakte en onoplettendheid. 

Sta-in-de-weg

Op een kruispunt, weg van de gebaande paden en waar we nauwelijks toeristen zien, doemt plotseling een imposante zuil voor ons op. Ongetwijfeld heeft hij verschillende aardbevingen en branden meegemaakt, maar hij is nog altijd intact en een juweeltje om te zien.

Het blijkt om de zuil van Marcianus te gaan, gebouwd tussen 450 en 457 en door de Turken Kıztaşı genoemd dat Meisjessteen betekent. Vroeger geloofde men namelijk dat de zuil de kracht bezat om ware maagden van valse te kunnen onderscheiden en, wanneer je er met je hand langs streek, dit op fluistertoon kenbaar maakte.
Het kan echter ook zijn dat vanwege de twee afbeeldingen van legendarische godin van de overwinning Nike, afgebeeld op het voetstuk, de reden is. Er is overigens nog maar een Nike zichtbaar gebleven.

Een derde verklaring voor deze bijnaam is de droevige legende rond de zuil die via mondelinge en schriftelijke bronnen is overgeleverd. Het verhaal gaat als volgt:

“Tijdens de bouw van de Hagia Sofia is een jong meisje dat over bovennatuurlijke krachten beschikt, onderweg naar de bouwplaats met een enorme zuil op haar rug. Onderweg verschijnt er plotseling een djinn en vraagt aan het meisje: “Waar neem je dit stuk steen op je rug naar toe?” Het meisje antwoordt: “Ik hoorde van een kerk in aanbouw, genaamd Hagia Sophia. Ik wil m’n steentje bijdragen, vandaar.” De djinn vertelt haar dat zij te laat is omdat de bouw van de kerk inmiddels is afgerond en adviseert haar het stuk steen te laten waar hij nu is.
Het meisje is erg teleurgesteld, en gaat zonder de zuil naar de Hagia Sofia om de kerk met eigen ogen te bewonderen en te bezoeken.
Als ze op de plek aankomt ziet zij dat de bouw nog in volle gang is en zij begrijpt onmiddellijk dat de djinn haar bedrogen heeft.
Ze gaat terug om de zuil op te halen en alsnog naar de kerk in aanbouw te brengen, maar hoe hard ze ook haar best doet, ze krijgt de stenen kolos niet meer van de grond. Omdat het meisje de leugen van de djinn heeft geloofd en de zuil heeft achtergelaten, is zij de magische kracht voorgoed verloren.
Zo is de steen altijd op deze plek gebleven, in de wijk Saraçhane die onderdeel is van Fatih.

De zuil zelf is zo’n twaalf meter hoog en vervaardigd van roze graniet, voetstuk en kapiteel daarentegen zijn van marmer. Totaal komt het bouwwerk op ruim zeventien meter.

Op het kapiteel staat in elke hoek een adelaar afgebeeld, die verwijst naar het keizerlijke wapen van Marcianius. Oorspronkeljk stond er nog een vijf meter hoog bronzen standbeeld van deze keizerlijke hoogheid op de zuil, maar toen in de dertiende eeuw de Venetiaanse kruisvaarders Constantinopel plunderden werd het beeld ontvoerd naar een onbekende plek in Italië, om nooit meer terug te keren. Aangenomen wordt dat er kerkklokken van gegoten zijn.

Het Latijnse opschrift boven de afbeelding van godin Nike was oorspronkelijk in bronzen letters maar deze zijndoor de tijd heen ook verdwenen. 

De tekst is echter nog goed leesbaar: 
PRINCIPIS HANC STATVAM MARCIANI CERNE TOVUQVE PRAEFECTVS VOVIT QVOD TATIANVS OPVS dat vertaald het volgende betekent:

“Zie dit standbeeld van keizer Marcianus en zijn zuil, een werk gewijd door de prefect Tatianus.”

In de vijftiende eeuw omringden de dan heersende Ottomanen de zuil met kiosken en cipressen en werd zo geheel aan het zicht onttrokken. Pas na de grote brand van Istanbul in 1908 kwam hij weer min of meer tevoorschijn en sindsdien staat hij prominent te pronken, midden op een inmiddels druk kruispunt.

Het is een wat surrealistische gewaarwording om hier, tussen de moderne appartementgebouwen zo’n verloren zuil uit de Byzantijnse tijd aan te treffen en vandaag de dag is het echt een sta-in-de-weg. Maar wel een hele mooie.

Herinneringen in een flesje.

Dankzij de pandemie maakt de Turkse eau de cologne van weleer vandaag de dag opnieuw furore en is het weer hét symbool van hygiëne en frisheid. Velen zijn er namelijk van overtuigd dat het een goede verdediging is tegen besmetting met het corona-virus, wat natuurlijk niet waar is. Het hoge percentage alcohol is ongetwijfeld een ware killer voor bacteriën maar virussen laten zich niet omleggen door wat eau de cologne.

Ik herinner mij nog goed dat we vroeger als we door Turkije reisden, in restaurant, hotel, openbaar toilet, bus of bij mensen thuis bij binnenkomst of vertrek je handen in een kommetje moest vormen om er zo een flinke hoeveelheid ‘kolonya’ in te ontvangen waar je vervolgens je handen mee inwreef en gezicht, hals en nek verfriste. 

Het hielp geweldig gedurende de droge stoffige en hete zomers in de tijd dat er van airco in auto’s, bussen en gebouwen nog geen sprake was. Bovendien gebeurde het regelmatig dat er geen water uit de kraan kwam en geloof mij, dan bracht de fles kolonya uitkomst.

Nog ruik ik de sterke geur van citroen waarnaar de vloeistof rook en je kunt wel stellen dat hoe goedkoper, de kolonya des te penetranter de scherpe citroenlucht was.

Maar als je geluk had, stond er op de fles ‘PE RE JA’, een merk dat was weggelegd voor de meer draagkrachtige klant en waarvan de geur veel zachter en natuurlijker was.

PE RE JA, de beginletters van de naam van de oprichter, zijn vrouw en hun zoon. PEpo Yasef Kazez, REne Kaldam en JAk Kavez. Zo eenvoudig ontstaat een merknaam van het kolonya imperium.

Vanmorgen wandelen we al vroeg naar de Kadiköy Antika Pazarı, een zondagse overdekte rommelmarkt op een half uurtje lopen van ons hotel.

Op een van de markttafels staat tussen andere parfumflesjes ook een oud glazen flesje met op het etiket PE RA JA. Leeg, maar toch en als ik de dop eraf schroef meen ik een zweem citroen te ruiken.

Bij het zien van het flesje vertelt Holger mij dat hij nog goed weet dat de eau de cologne-fabriek in aanbouw was aan de Londra Asfaltı in Bakirköy, het dorp waar destijds ook Holgers vader werkzaam was bij de Sana Vita-fabriek. Ze reden geregeld langs de PE RE JA-fabriek in aanbouw.

De architect hiervan is de in die tijd beroemde Seyfi Arkan die als bijnaam ‘de architect van Atatürk’ heeft. De PE RE JA-fabriek zou een van zijn laatste ontwerpen zijn.
Op 4 maar 1966 wordt de eerste steen gelegd met cement waar eau de cologne in is gemengd in plaats van water en op 9 juli 1967 wordt de fabriek geopend. Het industrialisatieproces gaat van start nadat zo’n veertig jaar lang in een kleine werkplaats de kolonya is geproduceerd, om eind jaren ’50 uitgeroepen te worden tot de meest geliefde eau de cologne van Turkije vanwege de kwaliteit en unieke geur.

Tot het jaar 2000 blijft de fabriek hier produceren maar om aan de steeds groeiende productievraag te kunnen blijven voldoen, verhuist het bedrijf naar Edirne, de grensstad met Bulgarije. 

Als we enkele uren later weer teruglopen naar ons hotel, staan we plots voor een winkel met, jawel, PE RE JA op de pui. 

Natuurlijk gaan we even naar binnen en behalve de schappen vol met flesjes Limon Çiceği Kolonyası in allerlei grootte tot zelfs aan vijf liter-jerrycans toe, zien we ook flesjes in de geuren jasmijn, groene thee, cashmier, mimosa, roos, lavendel en nog veel meer en verder natuurlijk doosjes met geursticks en verfrissingsdoekjes.

Een flesje met daarin de geur van toen gaat mee naar Deventer en ook één met jasmijnlucht. Om te proberen.

Toeval bestaat niet.

In veel delen van Istanbul worden historische panden gerestaureerd en omgevormd tot culturele instellingen.

Zo ook in Zeytinburnu, een wijk die grenst aan de Zee van Marmara in het Europese deel van de stad. Daar bevindt zich een oud gebouw uit de negentiende eeuw dat oorspronkelijk dienstdoet als hospitaal voor zeelieden.

In 1893 laat de dan heersende sultan Abdülhamid ll het complex verbouwen tot een ziekenhuis waar zieke en gewonde militairen verpleegd worden, maar als eenmaal het Ottomaanse rijk valt en de republiek Turkije wordt uitgeroepen, wordt het tot 2015 de huisvesting van wisselende gemeentelijke diensten en zwaaien de ambtenaren hier de scepter.

Inmiddels is het gebouw gerestaureerd en bevindt zich op de begane grond Kazlıçesme Sanat, een ruim opgezette expositieruimte waar in een van de zalen een glazen vloer is aangelegd zodat de bezoeker goed zicht heeft op de mozaïekvloer met verschillende motieven die tijdens de restauratiewerkzaamheden bloot kwam te liggen. 

De bovenste verdieping is in gebruik als kunstbibliotheek en op de middelste verdieping vergadert de gemeenteraad van Zeytinburnu er lustig op los. Het aangrenzende bijgebouw is nog altijd een hospitaal maar dan voor boeken die daar weer opgelapt worden.

Wij gaan vanmorgen naar Zeytinburnu vanwege een expositie van Hüsamettin Koçan, initiatiefnemer van het Baksı Müzesi waar Holger en ik in het najaar van 2019 drie dagen hebben doorgebracht en zulke mooie herinneringen aan hebben. Ook in Baksı is werk van Hüsamettin te zien maar op de tentoonstelling ‘CODES OF TRADITION-CODES OF THE FUTURE’ hangt voor ons onbekend werk van deze beeldend kunstenaar. 

Voor de tentoonstelling is een selectie van zijn werken geselecteerd die hij de afgelopen dertig jaar maakt en waarmee hij menselijke en technische tradities uit oude Anatolische culturen verbindt met de toekomst, door vanuit die culturele rijkdom nieuwe en originele dingen aan te bieden.
Van de oudheid tot het heden, van de Seltsjoeken via de Ottomanen tot de huidige republiek, alles komt samen in deze tentoonstelling door middel van symbolen en figuren.

Veel indruk maakt op ons de serie ‘Signs of Power’ waarin alle 36 sultans uit de Ottomaanse tijd een voor een afgebeeld staan op een blad van een boom tegen een witte achtergrond. Het blad symboliseert de enorme kwetsbaarheid waarin de heersende sultan leeft. Immers, zijn opvolger staat al vanaf dag één te trappelen van ongeduld en als het hem of zijn moeder te lang duurt, is een moord snel gepleegd. Maar het blad symboliseert ook de relatie tussen de mens en de natuur. De witte ondergrond geeft het licht weer waarmee in de islamitische cultuur eigenlijk de hemel wordt bedoeld.

Onder het blad met het portret van een sultan is met modder waarin pigment is verwerkt een troon verbeeld. Elke sultan heeft zijn eigen troon en in een strak belijnde geometrische vorm. Deze strenge vorm waarin de lijnen de macht weergeeft en de afstand tussen de sultan en de gewone mens benadrukt, contrasteert sterk met het fragile en vriendelijke van het boomblad.

Kunst verweven met het verleden en het alledaagse, dat is wat Hüsamettin wil, waardoor op die manier kunst voor elk mens herkenbaar, begrijpelijk en toegankelijk wordt. 

Hoe bijzonder is het dan dat wij, wanneer wij op de terugweg door de wijk Fatih lopen, plots twee heren herkennen van de tentoonstelling van vanmorgen. Ze zijn getekend op de deurtjes van een soort stoppenkast, hangend aan de gevel naast een voordeur tussen de deurpost en de regenpijp in. Zelfs de symbolische brug, die Hüsamettin Koçan wil slaan tussen heden en verleden is niet vergeten. Toeval bestaat niet.

De helpende steen.

Onze zorgvuldige bewaarde Turkse lira’s blijken na tweeëneenhalf jaar in de la gelegen te hebben nog niet de helft meer waard te zijn van waar wij ze destijds voor kochten.
Voor ons zeker geen ramp maar voor de Turken uit de midden- en lagere klasse is de huidige inflatie en daarmee gepaard gaande devaluatie van de nationale valuta een bron van overleving geworden.

De rijen voor de kraampjes van Halk Ekmek worden dan ook met de dag langer in de afgelopen maanden. De gemeentelijke overheid subsidieert dit volksbrood zwaar en voor velen is het de enige mogelijkheid om dit broodnodige onderdeel van het Turkse ontbijt, lunch en diner nog te kunnen betalen sinds het brood bij de warme bakker op de hoek voor hen onbetaalbaar is geworden. In Istanbul worden per dag 2 miljoen broden gebakken voor Halk Ekmek.

Als Holger en ik vanmorgen al vroeg bij Üsküdar van de pont stappen, zien we bijna op hetzelfde moment een gemeentelijke bestelwagen aan komen rijden met brood en meel om hiermee de verkooppunten die zo opengaan te bevoorraden.

Iets verderop komen we de eerste broodkraam tegen, waarvan de beheerder al wacht op zijn broodvoorraad voor vandaag en ik bedenk mij hoe schrijnend en pijnlijk het moet zijn voor mensen om hier te moeten kopen, zo zichtbaar voor iedereen.

Het gegeven van rijk en arm is helaas van alle tijden, evenals het feit dat de armen afhankelijk waren en zijn van de goedertierenheid van de overheid of medemens. In het Ottomaanse Rijk was dit niet anders en uit deze tijd stamt dan ook de zogenaamde sadaka taşı, wat vrij vertaald zoveel als liefdadigheidssteen betekent.

Bij zo goed als elke moskee was een zuilvormige steen te vinden met daarin diverse holtes. Hierin werden door welgestelden munten achtergelaten, in het donker als men op weg was naar het vroege ochtend- of late avondgebed. Geen papiergeld want dat kon wegwaaien of verregenen en dat zou jammer zijn.

De behoeftige nam zo veel munten als hij of zij op dat moment nodig had en liet de rest achter voor hen die in dezelfde deplorabele staat verkeerde.

Het mooie aan deze manier van liefdadigheid vind ik dat de gevende en de ontvangende hand elkaar niet ontmoeten waardoor de verhevenheid en arrogantie van rijken niet gevoed worden en de trots en waardigheid van de armen in stand blijven. Een uiterst integere vorm dus van liefdadigheid.

Van de honderden liefdadigheidsstenen die ooit bestaan hebben zijn er in Istanbul nog maar vijftien exemplaren over. 


De best bewaarde is die buiten voor de Imrahor-moskee staat in de wijk Üsküdar en dit is dan ook de reden dat wij hier vandaag zijn. Op zoek naar de helpende steen die vandaag de dag in ere hersteld zou kunnen worden.