Een fijn weerzien

Drie jaar geleden sluit ik ons blog over de stad Eskişehir getiteld ‘Buigzaam als bamboe’ af met de zin: …en nu er ook nog zo’n geweldig mooi museum staat, komen wij er ongetwijfeld terug.

Nou, dat klopt dus. We zijn terug in deze stad en bezoeken vandaag het OMM (Odunpazarı Modern Museum) om de twee weken geleden geopende expositie “Yas ve Haz” te bezoeken waarmee het museum z’n derde verjaardag viert. 

De tentoonstelling brengt werk van 38 beeldend kunstenaars bij elkaar waarbij het uitgangspunt is het vermogen van het lichaam om emoties uit te drukken zoals geluk, angst, verdriet, plezier, woede, verrassing, walging, minachting en schaamte. 
De kunstenaars werken in diverse disciplines waaronder schilderkunst, mixed media, beeldhouwwerk en video- en installatiekunst. 
In veel werken is het thema herkenbaar en is het duidelijk dat de geijkte verhoudingen tussen man en vrouw, gender, rolpatronen, privacy en sociale ideologieën ter discussie worden gesteld en dat heersende waarden en normen aan verandering onderhevig zijn. 

Het beeld van de Turkse Ayça Telgeren met de titel ‘Last Day of Spring’ is gemaakt van beton, materiaal dat voor mij altijd een zekere kilte uitstraalt.
De onderling verbonden lichamen geven de warmte en intimiteit weer van een ogenschijnlijk totale omhelzing, maar in tweede instantie zie je dat alleen de onderste helften van de lichamen met elkaar in verbinding staan.
De twee figuren belichamen het plezier van de tijd die zij samen doorbrengen, maar ook het gevoel van verdriet dat volgt op hun onvermijdelijke scheiding, zoals de titel eigenlijk ook al voorspelt. Hoofd en hart doen hier immers al niet meer mee. Het beeld maakt deel uit van de door Ayça gemaakte serie ‘Under my Skin’.

Het werk van de Spaans-Kroatische Filip Custic heeft als titel ‘x=y=z’ en toont een hyperrealistische siliconen sculptuur van een borstbeeld omgeven door glas en lenzen die bepaalde delen versterken of vervormen. 
Door allerlei digitale en technologische vooruitgang is er nu de mogelijkheid om hybride lichamen te bouwen en komt de tijd naderbij waarin gender- en rassendiscriminatie eindigt als gevolg van de maakbaarheid van identiteiten. 

De Britse kunstenaar Saelia Aparicio maakt meubels met een vleugje menselijkheid van multiplex en beschildert deze met de hand.
Het zitmeubel genaamd ‘Rapunzel’ geeft een vrouw weer met haar lichaam gebogen en ineengedoken, veilig afgesloten van de buitenwereld. Maar tegelijkertijd vertegenwoordigt het ook het bewustwordingsproces waarbij de vrouw gestimuleerd wordt haar eigen kracht te vinden en deze in te zetten. 

Willi Dorner is al een tijd bezig met het project ‘Living Room’, waarin hij in verschillende landen met deelname van lokale bewoners locatiespecifieke situaties in scene zet waarbij de figuranten delen van de ruimte bezetten die vaak over het hoofd worden gezien, zoals drempels, nissen, uitsparingen, kasten en trappen. Als onderdeel van deze tentoonstelling creëert Dorner situaties in Eskişehir en maakt gebruik van de historische huizen die zo uniek zijn voor deze regio. 
Zo toont Dorner op een verrassende wijze hoe de migrerende mens zich kan verhouden tot de nieuwe stedelijke omgeving met haar architectuur.
Grappig detail is dat Holger en ik op de foto hierboven gelijk onze kamer herkennen in het museumhotel OMM Inn, waar wij in Eskişehir verblijven.

Het museumbezoek, de wijk Odunpazarı en de loopjes door de stad zorgen er samen voor dat het een fijn weerzin is met Eskişehir, een stad die nog altijd vrijheid, lichtheid en optimisme uitstraalt en dat hopelijk blijft doen!

Humor en wijsheid uit het Midden-Oosten

Als leraar kan hij natuurlijk bij een buitenschoolse activiteit niet achter zijn leerlingen aan rijden op zijn ezeltje, hoewel hij zo wel beter een oogje in het zeil kan houden. Maar daarmee zou hij zichzelf als hodja echt voor gek zetten. Echter, als hij vooroprijdt, kan hij de kinderen weer niet in de gaten houden. Nasreddin Hodja lost dit probleem op door voorop te rijden maar achterstevoren zittend op z’n ezeltje en zo is zijn klas gedwongen zich netjes te gedragen.

Net als vierenveertig jaar geleden, als Holger en ik Akşehir voor de eerste keer samen bezoeken, ademt deze stad nog altijd de geest van Nasreddin Hodja, een islam-geestelijke die in zijn tijd ook filosoof, professor aan de universiteit én rechter is.
Hij zou in 1208 te Sivrihısar geboren zijn maar verhuist op een gegeven moment net als Rumi naar Konya. Nog weer later vestigt hij zich in Akşehir, waar hij in 1284 overlijdt.

In het midden van de enorm grote begraafplaats Nasreddin Hodja Mezarlık staat zijn graftombe die wij vandaag opnieuw bezoeken.  Het is nu helemaal afgesloten met marmer en een ijzeren hekwerk.

Vroeger stond er alleen aan het voeteneind een traliehekje met een groot Ottomaans hangslot. De rest was open en toegankelijk voor bezoekers, waardoor het hekje nutteloos was en dus zelfs zijn tombe humor uitstraalde. Het oude hangslot hangt nu aan een van de grote hekken. 

Nasreddin Hodja belichaamt de volkswijsheid van zijn tijd en is dat door de eeuwen heen blijven doen. Eigenlijk houdt hij de mensen graag een beetje voor de gek en doet hij de dingen anders dan normaal. De thema’s van zijn verhalen zijn universeel, tijdloos en vol humor maar zetten de toehoorder ook aan het denken, zonder moralistisch te zijn. 
Ze worden nog altijd tot in Siberië en Noord-Afrika verteld en zijn in veel talen verschenen.


Enkele jaren geleden geeft Uitgeverij Eenvoudig Communiceren zelfs een boekje uit zodat laaggeletterden in Nederland die opgegroeid zijn met verhalen van Nasreddin Hodja en deze als kind alleen maar gehoord hebben, ze nu zelf kunnen lezen of voor kunnen lezen aan hun kinderen en kleinkinderen.

Bovenstaand standbeeld staat samen met een aantal andere die allemaal een bekende vertelling van Nasreddin uitbeelden in het Nasreddin Hodja beeldenpark.
Het verhaal bij dit beeld gaat als volgt:

“Op een dag leent Nasreddin Hodja een koperen kookketel van zijn buurman. Enkele dagen later brengt de hodja de ketel terug met een kleinere ketel erin. De buurman vraagt verbaasd wat dit te betekenen heeft en de hodja antwoordt: “Jouw ketel heeft een baby-ketel gebaard. Gefeliciteerd.”
De buurman schudt hem de hand en gaat met beide ketels zijn huis in om ze in de keuken op te bergen.
Na een paar weken vraagt de hodja zijn buurman opnieuw een ketel te leen, een aanzienlijk grotere deze keer en dus ook veel meer waard. De buurman geeft hem met een gul gebaar mee, hopend op nog een ‘kind’.
Maar de buurman hoort niets meer van de hodja en heeft na een tijdje nog steeds zijn grote dure ketel niet terug. Dus gaat hij naar de hodja en vraagt wanneer hij zijn kookketel terugkrijgt.
De hodja kijkt hem aan met betraande ogen en zegt: ”Het spijt mij buurman, maar je ketel is gisteravond overleden”, waarop de buurman verontwaardigd reageert met: “Hoe kan een ketel nou doodgaan?”
De hodja dient hem dan van repliek met de woorden: “Je gelooft wel dat een ketel een kind kan baren. Nou, als een ketel kan baren, dan kan hij ook dood gaan!”

Het allereerste Nasreddin Hodja verhaal hoor ik van mijn schoonmoeder bijna vijftig jaar geleden. Zij was een geboren verteller.

“Een bedelaar krijgt een stuk brood van iemand maar hij heeft niets om erop te doen. Hij gaat naar de naastgelegen herberg en vraagt de waard om wat broodbeleg, maar deze stuurt hem met lege handen weg.
Omdat hij de geur van soep ruikt, sluipt hij met z’n homp brood de keuken in en houdt dit boven de pan kokende soep in de hoop dat er iets van de geur in het brood blijft hangen.
De herbergier betrapt hem, pakt hem bij zijn arm, beschuldigt hem van het stelen van soep en eist geld.
De bedelaar zegt alleen aan de soep geroken te hebben en bovendien geen rooie cent te bezitten, maar de herbergier blijft bij zijn standpunt en eist dat hij dokt voor de geur die hij opgesnoven heeft.
Vervolgens sleept hij hem voor de rechter en treft Nasreddin Hodja in deze hoedanigheid aan. Hij hoort het verhaal van de herbergier en luistert naar de uitleg van de bedelaar.
“Dus je eist geld voor de geur van de soep?”, vat de hodja samen na de hoorzitting. “Ja!”, antwoordt de herbergier.
De hodja haalt wat munten uit zijn zak en rinkelt ermee in zijn hand. “Wat hoor je?”, vraagt hij de herbergier. “Ik hoor het geluid van rinkelend muntgeld”, antwoordt hij op verlekkerde toon.
Waarop de hodja tevreden zegt: “Dat is mooi. Dan heb ik je nu met het geluid van mijn muntgeld betaald voor de geur van jouw soep.”

En zo zijn er eindeloos veel verhalen bekend, die naast humor, veel levenswijsheid en inzicht over de omgang tussen mensen van alle rangen en standen bezitten. Leuk om te horen en leuk om te lezen.

Een verrassende stop

“Altijd het proberen waard”, antwoord ik als Holger vraagt of we de afslag naar Sultanhanı zullen nemen om daar de gelijknamige karavanserai te bezoeken, een veilige overnachtingsplek voor reizende handelaren, hun dieren en hun waar ten tijde van de zijderoute.
We zijn op weg van Aksaray naar Akşehir en zo’n tussenstop is altijd welkom.

Het is voor het eerst dat we bij een bezienswaardigheid zo veel tourbussen op de parkeerplaats zien staan die ongetwijfeld onderweg zijn naar Konya, maar dat mag de pret niet drukken.

Sultanhanı is een grote Seltsjoekse karavanserai uit de dertiende eeuw. Het is een van de drie karavanserais die in dit gebied bewaard zijn gebleven, maar er hebben er natuurlijk veel meer gestaan aan de lange weg van Konya naar Aksaray, die helemaal doorloopt naar Iran.
Het is de grootste karavanserai in Turkije en misschien wel het best geconserveerde voorbeeld van de Anatolische Seltsjoekse architectuur.

De spitsboog rond de toegangsdeur is versierd met muqarnas-consoles en geometrische patronen die zo kenmerkend zijn voor de Seltjoeken. De hoofdingang komt uit op een open binnenplaats die de reizigers in de zomer gebruiken.

Midden op de binnenplaats staat een zogenaamde kioskmoskee, vierkant en van steen, dat het oudste exemplaar is van Turkije. Hier bidden de handelaren voor een goede afloop van hun lange en vaak gevaarlijke reis. Vier gebeeldhouwde gewelven ondersteunen de moskee die zich op de op de tweede verdieping bevindt en die via een trap bereikbaar is.

Aan weerszijden van de binnenplaats zijn de stallen waar de dieren destijds overnachten. Waar de binnenplaats eindigt, kom je een overdekte, gesloten ruimte binnen met een gewelfd plafond en dwarsribben die het enorme oppervlakte verdelen in een soort brede gangen.
Het is een imposant complex en we lopen er met genoegen rond, te meer omdat blijkt dat er in de stallen en in de overdekte winterruimte twee bijzondere en uiteenlopende exposities zijn. Een met moderne installaties en een met eeuwenoude tapijten.

In de stallen is de tentoonstelling ‘Carved Conversations’ te zien met werk van zeven verschillende nationale en internationale beeldend kunstenaars.

Erg mooi is de stal waarin negentig lichtgevende zuiltjes zijn geplaatst, in vijf rijen van achttien stuks. Op elk zuiltje ligt een perkament-achtig afdekplaatje waarop een beschildering in groen, geel, oranje en zwart waardoor de ruimte zacht en sfeervol verlicht wordt.

Ook de wig-vorm bedekt met viltige lompen en geplaatst over de hele breedte van de ruimte spreekt mij erg aan.
Vooral als je het materiaal van dichtbij bekijkt en de structuur dan goed te zien is.


De tentoonstelling in de overdekte hal bestaat uit een eindeloze hoeveelheid antieke tapijten, hangend aan de ‘uitlopers’ van de gewelven en mooi uitgelicht.
Het zijn wollen tapijten uit de provincie Konya waarvan de garens uitsluitend met plantaardige verfstoffen zijn gekleurd. 


De zes gebruikte hoofdmotieven in de kleden zijn de levensboom, de ramshoorn, de ster, de handen op de heupen, stromend water en de anjer. Op de foto hieronder zie je de patronen in deze volgorde, gezien vanaf linksboven en met de klok mee. Er is een duidelijke uitleg over aanwezig, evenals over alle planten waaruit de verfpigmenten zijn gewonnen.

Dit soort onverwachte gebeurtenissen maakt het reizen met eigen vervoer zo bijzonder en fijn. ’s Morgens gaan we op pad en ligt de dag voor ons open.
Hoe mooi is het dan dat we zo’n onverwachte en verrassende stop maken die de dag een extra tintje geeft.

Een dove muur spreekt

Als we vanmorgen al vroeg op pad gaan en over de Ulu Cami Cd. lopen, staan we opeens voor een enorme muurschildering op een pand grenzend aan een braak liggend stukje grond, waar ongetwijfeld ooit een appartementencomplex dan wel kantoorgebouw zal komen. 
Op de een of andere manier is het voor ons gelijk duidelijk dat de vrouw die op deze mural is afgebeeld niet zomaar iemand is. Daar is zij té uitgesproken voor, mede doordat de kunstenaar haar alleen maar in zwart en grijstinten heeft weergegeven in dit werk. Er staat een naam onder, Halet Çambel, wat klinkt als Turks. Toch lijkt zij niet Turks, met haar kortgeknipte kapsel en stoere uiterlijk. 

Natuurlijk willen we graag weten wie zij is en waarom zij zo’n mooi eerbetoon krijgt in Adana, dus vragen we het de eerste de beste voorbijganger. Deze kan ons meteen te vertellen dat Halet een wereldberoemde archeoloog is, maar verder weet hij het eigenlijk ook niet. Oh ja, het is in opdracht van de gemeente Adana gemaakt om de dove muur, zoals dat in Turkije genoemd wordt, op te leuken en zo de voorbijgangers met kunst in aanraking te laten komen. 
Als ik later verder zoek op internet, blijkt Halet inderdaad de bekendste archeoloog van Turkse komaf te zijn en de meest deskundige expert van de Hettitische beschaving. Daarnaast doet zij op twintigjarige leeftijd als lid van het meisjesschermteam mee aan de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, waar zij overigens weigert Hitler een hand te geven. Het team keert zonder medailles huiswaarts maar heeft wel aan de wereld getoond hoeveel het land is veranderd nadat het in 1923 een republiek is geworden. Dit dankzij de inspanningen van Mustafa Kemal Atatürk, die het land door allerlei maatregelen een westerse identiteit geeft.
Leuk feitje is nog dat Halet in 2004 op 88-jarige leeftijd de Prins Claus-prijs in ontvangst mag nemen.
Holger en ik zien in Hatay en Adana zó onwaarschijnlijk veel moois aan oudheidkundige vondsten in allerlei soorten en maten, wat voor ons dan ook een prima reden is om een stukje van ons blog te wijden aan de vrouw die hier zo’n enorm aandeel in heeft gehad.

Halet wordt in 1916 geboren in Berlijn waar op dat moment haar vader werkzaam is als militair attaché aan de Turkse ambassade in Duitsland. Zij groeit op in verschillende Europese landen en ontwikkelt zich daardoor tot een kosmopolitische, meertalige en tolerante vrouw. 
Aan de Sorbonne in Parijs studeert zij archeologie, maar tevens de Midden-Oosterse talen Hettitisch, Assyrisch en Hebreeuws.
In Turkije domineren op dat moment Duitse wetenschappers de archeologische activiteiten en doordat Halet deels in Duistland opgroeit en de Duitse taal goed spreekt vindt zij tijdens haar studie, stages en in haar latere professionele leven goede aansluiting bij hen.

Begin jaren vijftig van de vorige eeuw gaat zij als assistent van de Duitse professor Helmuth Bossert aan de slag in de Hettitische antieke stad Karatepe, gelegen tussen Osmaniye en Adana. 
Hier blijft zij jaren zelfstandig werkzaam en ook haar man, de dichter en architect Nail Çakırhan, voegt zich bij haar. Kinderen wil het echtpaar niet maar zij stoppen wel veel energie in de kinderen die wonen in de kleine dorpen van Zuidoost-Anatolië waar dan nog geen scholen zijn. Drie uur per dag geven zij les aan de meisjes en jongens uit de gezinnen waarvan de vaders aan de opgravingen werken en ook het kroost van de boeren uit de directe omgeving meldt zich al snel voor onderwijs.

Tot dan toe was het heel gewoon dat waardevolle archeologische vondsten naar de grote steden gebracht werden, vaak ver weg van de oorspronkelijke vindplaats.
Halet is een groot voorvechtster om de opgegraven schatten te laten waar ze zijn en daar ter plekke ten toon te stellen, in de vorm van een openlucht museum. 
Uiteindelijk is haar dat in Karatepe gelukt, iets wat bewijst dat zij een uiterst volhardende en doortastende vrouw in dat mannenbolwerk moet zijn geweest.
In 2014 overlijdt zij op bijna 100-jarige leeftijd als een vrouw die in haar leven veel historische hoogte- en dieptepunten meemaakt, maar ook de 4 duizend jaar oude Hettitsche beschaving weer tot leven weet te wekken.
Terecht dat je na je dood met zo’n mooi eerbetoon als deze mural van Yusuf Inan Güneş levend wordt gehouden.
En dankzij dit alles hebben wij een goede reden om op een volgende reis door Turkije hier naar terug te komen om het openluchtmuseum Karatepe-Aslantaş te gaan bezoeken. Wie wat bewaart, die heeft wat.

YOLO!

Is het een mijnwerker, een soldaat, een backpacker, een brandweerman? Nee. Niets van dit alles. Het is een Hittitische koning met de welluidende naam Suppiluliuma. Hij regeert van 1344 – 1322 voor Chr. en is in die tijd een groot krijgsheer. Tóch een soort soldaat dus maar dan met wat meer strepen waarschijnlijk. 

Tien jaar geleden vindt een opgravingsteam van experts dit 3000 jaar oude beeld in Tell Ta’yinat, een laaggelegen grafheuvel nabij de oever van de rivier Asi.
Deze opgravingsplek bevindt zich in de buurt van het huidige Reyhanlı, zo’n 25 km ten zuidoosten van Antakya, de stad waar wij al enige dagen verblijven.

Het totaal moet een kolossaal standbeeld zijn, want alleen deze buste is al anderhalve meter hoog en weegt zo’n slordige 1500 kilo. Dit deel van het beeld is in ongelooflijk goede staat. Over de rest is weinig te zeggen, daar wordt nog altijd naar gezocht.

Het staat in het Hatay Archeologisch Museum dat Holger en ik vandaag bezoeken en het is goed van dichtbij te bekijken. Dat is fijn want er is zijn leuke details te zien. De koning heeft een baard en kroeshaar dat in een mooi motief over zijn hoofd valt. 
Om zijn polsen en bovenarmen heeft hij armbanden waarvan de uiteinden leeuwenkopjes voorstellen en hij draagt een eenvoudig halssieraad. 

Zijn gebalde knuisten omklemmen niet de banden van een rugzak, maar in zijn rechterhand heeft hij een lans en in de andere een maïsplant.
De ogen springen erg in het oog doordat ze in verhouding groot, bol en vrij bewerkt zijn.
De inscriptie op de rugzijde van het beeld vertelt dat het hier om koning Suppiluliuma de Eerste gaat. 

Dit beeld is dé blikvanger in het museum, dat sinds 2013 een geweldig mooi nieuw onderkomen heeft. Het oude museum bestond sinds 1938, toen Hatay nog een zelfstandige staat was. Later dat jaar wordt het echter aan de Turkse republiek toegevoegd en pas in 1948 gaat het officieel open voor publiek.
Het bezit een enorme verzameling kunstvoorwerpen en mozaïeken uit de Assyrische, Hittitische, Hellenistische, Romeinse en Byzantijnse beschavingen die door de tijd heen aanwezig zijn in dit gebied. 
We dwalen er uren rond en voor het blog besluiten we drie onderwerpen te beschrijven. 
Het tweede voorwerp dat veel indruk op ons maakt wordt bepaald niet veroorzaakt door het formaat. Het is zelfs een erg klein beeldje, ongeveer 5 cm hoog en gebeeldhouwd uit een stuk lapis lazuli. 

Maar de kleur blauw is van zo’n schoonheid dat je ogen er steeds naartoe getrokken worden.
Het is een bijna 4000 jaar oude afbeelding van Ishtar, Vrouwe van Alalakh en een van de godinnen uit het oude Mesopotamië, gekoppeld aan liefde, oorlog en seksualiteit.
In gebeden wordt Ishtar vereerd en aangeroepen als brenger van levenskracht en godin van leven.
Maar er is ook een donkere kant aan haar want als godin van vruchtbaarheid en seksualiteit heeft zij ook de kracht om landbouwgrond te vernietigen en dieren onvruchtbaar te maken. De bewoners van Mesopotamië moeten Ishtar dus niet tegen zich krijgen want landbouw en veeteelt zijn de belangrijkste bronnen van hun bestaan.
Ruim 40 jaar geleden maken Holger en ik al kennis met Ishtar, als wij in Atlanta de kunstinstallatie ‘The Dinner Party’ van Judy Chicago zien. Zij is een van de 39 mythische, historische of beroemde vrouwen, die een plaats hebben gekregen aan een feestelijk gedekte driehoekige tafel.

Ik herinner mij nog goed dat er een aantal jaren terug een artikel in de krant staat over tien uit de Romeinse Tijd stammende mozaïeken die onherstelbaar beschadigd zijn, doordat de restauratie door een clubje amateurs is verricht. Zo ontbreken er steentjes en er zijn steentjes op de verkeerde plek teruggeplaatst, waardoor er een totaal vertekend beeld is ontstaan en ze eigenlijk karikaturen van zichzelf zijn geworden.

Deze mozaïeken behoren destijds tot de verzameling van het Hatay Archeologisch Museum en tijdens de verhuizing in 2013 naar het nieuwe gebouw gaat het kennelijk helemaal mis. 
Gelukkig bestaat de collectie uit ruim 1700 mozaïeken, dus er is vandaag de dag nog genoeg moois te zien waarvan er eentje echt uitspringt, vanwege de zeer afwijkende en humoristische afbeelding, terwijl het toch 2400 jaar oud is.

Eigenlijk zou het een mozaïekkunstwerk van nu kunnen zijn met als titel ‘YOLO”.

De afbeelding geeft een liggend skelet weer, nonchalant rustend met zijn elleboog op een kussen en met zijn andere hand achteloos op het hoofd.
In de rechterhand houdt hij een beker wijn vast.
Op de achtergrond zijn twee broden en een ongetwijfeld ook met wijn gevulde amfora te zien.
Aan de bovenzijde is in het oud-Grieks te lezen: “Wees vrolijk, leef je leven”, oftewel YOLO.
Archeologen vinden dit mozaïek in de oude Grieks-Romeinse stad Antiochië, het huidige Antakya. Het is een deel van een vloer van een kleine eetzaal in een huis dat destijds behoort aan de bovenklasse. 
Tijdens werkzaamheden voor de aanleg van een kabelbaan, stuiten de bouwvakkers op historische overblijfselen en in 2013 leggen ze dit bijzondere tafereel met de o zo wijze levensles bloot, die wij graag ter harte nemen.

De schoonheid van Defne 

Naast alle oudheidkundige vondsten in deze regio waar we morgen na ons bezoek aan het Hatay Archeologisch Museum meer over kunnen vertellen, en de künife, een toetje waarbij het echt lijkt alsof er een engeltje over je tong piest, heeft de provincie Hatay nog een specialiteit en dat is zeep.

De oorsprong van deze zeep is gerelateerd aan het verhaal uit de Griekse mythologie over Daphne, in het Turks Defne, en Apollo. 

Apollo is een erg goed boogschutter en daar schept ie graag over op. Op een dag komt hij Eros tegen, de god van de liefde die, zoals bekend, ook erg behendig is met pijl en boog. Maar tijdens hun gesprek praat Apollo nogal spottend en neerbuigend over diens schietvaardigheid, wat bij Eros niet in goede aarde valt. Hij ergert zich trouwens al langer aan Apollo omdat deze veel maar erg vals zingt en ondertussen doet alsof hij een wereldzanger is. Dus is nu voor hem de grens bereikt. Hij neemt twee pijlen uit zijn koker, doopt de een in goud om de liefde op te wekken, de ander in lood om de liefde te doven en schiet ze in de harten van respectievelijk Apollo en de beeldschone nimf Daphne, dochter van de riviergod Ladon. 
Vervolgens staat Apollo helemaal in vuur en vlam voor Daphne maar zij wil helemaal niets van hem weten en rent er vandoor zo gauw ze een glimp van hem ziet. Hij achtervolgt haar dag en nacht en probeert haar voor zich te winnen door te pochen over zijn vader, de oppergod Zeus, zijn enorme muzikaliteit en zijn boogschutterskunsten. Maar al die verhalen maken nul indruk op Daphne. 
Op een dag slaat de nimf weer op de vlucht maar Apollo geeft deze keer niet op en blijft achter haar aan jagen. Zo rennen ze, de een uit liefde, de ander uit angst. Als Apollo de inmiddels uitgeputte Daphne bijna te pakken heeft, roept zij haar vader aan en smeekt hem om hulp. Onmiddellijk begint haar lichaam te veranderen. Onder haar voeten verschijnen wortels, om haar benen ontstaat een laag schors, haar armen groeien uit tot takken en aan haar vingers ontspruiten jonge laurierbladeren. Zij wordt een eeuwig groene laurierboom en terwijl Apollo haar nog probeert te kussen, buigt zelfs het hout van hem weg.


In zijn wanhoop besluit Apollo dat als Daphne niet zijn vrouw kan zijn, de laurier dan maar een aan hem gewijde boom moet worden. Van bladertakken maakt hij een krans die hij altijd op zijn hoofd zal blijven dragen Op die manier heeft hij Daphne altijd dicht bij zich.  

Nu wil het verhaal dat de plaats waar Daphne verandert in een laurierboom Harbiye heet, een dorpje in de regio Defne niet ver van Antakya waar wij momenteel verblijven. Zowel Daphne als Defne betekenen laurier.

Daar in Harbiye is een natuurpark met watervallen die gevoed worden door de tranen van de eeuwig huilende Daphne, wiens leven zo tragisch verlopen is. 

Nou, dat willen Holger en ik wel eens zien, dus rijden wij vanmorgen richting Harbiye, waar inderdaad een aantal watervallen te zien zijn.

Maar hoe zit dan nou met die zeep? 
Apollo wil meer dan alleen een laurierkrans op zijn hoofd, hij wil Daphne onder zijn huid hebben. Dus besluit hij de olie van de laurierbessen uit te laten persen zodat hij dit op zijn huid kan smeren en hij geeft de plaatselijke zeepmaker opdracht om een zeep te verzinnen met de laurierolie als ingrediënt. Deze mengt het met olijfolie en soda, verhit het in enorme ketels en giet het daarna uit in ondiepe bassins. Als het mengsel na een paar weken deels is uitgehard, snijdt hij het in blokken en laat het nog een aantal maanden drogen.

De échte zogenaamde Defne-zeep wordt nog altijd op deze wijze vervaardigd. Het ruikt sterk naar laurier, heeft een olijfgroene kleur en is verpakt in naturelkleurig papier. De kracht van deze zeep zit ‘m niet in z’n uiterlijk maar in z’n werking. De kiemdodende eigenschappen en de beschermende werking tegen schimmel- en eczeemaandoeningen klinken zo veelbelovend, dat we wat blokken kopen om mee te nemen naar huis, evenals wat potjes laurierolie. 
Het ruikt erg sterk en ik bedenk nu al als iemand mij vraagt of ik hachee heb gekookt, ik het gebruik onmiddellijk stop.

Oud in een nieuw jasje

Eigenlijk moest het een parkeergarage worden onder het hotel dat staalmagnaat Necmi Asfuroğlu aan zijn geboortestad Antakya, hoofdstad van de provincie Hatay, wil schenken en in 2010 gaat de bouw hiervoor dan ook nietsvermoedend van start.
Maar dan stuit de bouwploeg op een archeologische vondst in de vorm van een marmeren beeldje van een één-vleugelige Eros. De tweede vleugel ligt ernaast.
Het graven wordt onmiddellijk gestaakt, de bouw opgeschort en de archeologische regels treden op hetzelfde moment in werking.

Zes maanden lang graven nu geen bouwvakkers maar vooraanstaande archeologen verder en wat zij vervolgens ontdekken, overtreft alle verwachtingen.
Onder de fundering van het hotel in wording blijkt ’s werelds grootste mozaïektapijt te liggen.
Het bevat werk uit dertien verschillende beschavingen van de Hellenistische tot de islamitische periode. Dit betekent dat er van 300 voor Christus tot 1200 na Christus aan dit mozaïek gewerkt is. Weliswaar met tussenpozen, maar toch….
De bijdragen komen van zeer diverse culturen, zoals van de Grieken, Romeinen, de Byzantijnen, de Arabieren, kruisvaarders en de Egyptenaren en het is zo’n 850 vierkante meter groot. 

Archeologen vermoeden eerst dat het mozaïek destijds deel uitmaakt van een overheidsgebouw uit de zesde eeuw, maar dan vinden ze ook ruïnes van gebouwen, munten en nog meer beeldjes van Eros en is het duidelijk dat het begin van dit complex dateert uit het Hellenistische tijdperk.
Het klinkt misschien vreemd dat men zo’n wonderbaarlijke vondst ontdekt in een toch voor de meesten van ons onbekende stad als Antakya. Je verwacht dit immers eerder in steden als Rome, Athene of Jeruzalem.
Maar tijdens haar inmiddels vijftien eeuwen oude bestaan is Antakya lange tijd een van de meest invloedrijke steden in het Nabije Oosten.

Lang verhaal kort. Natuurlijk twijfelt Asfuroğlu of hij door moet gaan met zijn hotelplannen, maar uiteindelijk zet hij door en de parkeergarage maakt plaats voor een museum met zorgvuldig bewaarde mozaïeken, badhuizen, straten en muurfragmenten.

En nu lopen Holger en ik sinds gistermiddag geregeld over de dikke glazen vloer in de lobby van dit Antakya Museum Hotel en zien we al dat moois onder onze voeten liggen. Sommige mozaïekdelen golven je letterlijk tegemoet, veroorzaakt door de aardbevingen die er door de eeuwen heen geweest zijn. 

Als verjaardagsverrassing heeft Holger namelijk voor ons een paar nachten in dit hypermoderne gebouw geboekt en dat betekent dus dat ik hier verjaar vandaag. Hoe bijzonder is dat!

Het is een adembenemend complex, ontworpen door architect Emre Arolat en het is een waar hoogstandje. Een enorme stalen constructie, waarin de kamers als een soort ‘dozen’ ingeschoven zijn, hangt als het ware boven het ondergrondse museum en loopbruggen vormen de gangen naar de kamers en de paden langs de archeologische bezienswaardigheden. De afstanden zijn enorm en doordat veel delen in direct contact staan met buiten voelt het alsof je door een futuristische stad loopt en een reis door in tijd maakt van bijna twee en een halve eeuw lang.


Ik heb geen kunststof kunnen ontdekken, alles is vervaardigd uit staal, hout en glas van hoge kwaliteit. Een ploeg glazenwassers hebben een volledige baan hier aan het reinigen van alle ramen en glazen platen die het gebouw rijk is.

Vanmiddag gaan we het museum in om het mozaïektapijt van dichterbij te bekijken. Het meest indrukwekkende beeld is misschien wel dat van Pegasus, het vliegende paard. Drie nimfen tuigen hem op voor Bellerophon die in zijn overmoed op de rug van Pegasus naar de Olympus wil vliegen om de goden te bezoeken. Zeus steekt daar echter een stokje voor en stuurt een insect op hen af. Dat prikt het vliegende paard en deze schrikt zo dat het Bellerophon van zich afwerpt, die door zijn val terug op aarde de rest van z’n leven kreupel loopt. 
Het tafereel is intens van kleur en later lees ik dat de gebruikte mozaïeksteentjes geverfd zijn met puur plantaardige verfstoffen, in maar liefst 160 verschillende kleuren.

Ook het tableau met acht muzes is een feest om naar te kijken.
We zien Urania, Euterpe, Polyhymnia, Erato, Kleio, Terpsichore, Melpomen en Thalia. De negende muze, Calliope, heeft een eigen stukje mozaïek waarop zij een stuk papier dat waarschijnlijk symbool staat voor inspiratie, overhandigt aan Hesiod.  

Uit een hele andere periode zijn de geometrische stukken, die veelvuldig aanwezig zijn.


Maar misschien wel de mooiste afbeelding voor mij is ‘Megalopsychia’, dat ook wel het Vogelmozaïek wordt genoemd.
In het midden zien we een medaillon met daarin een vrouwelijk figuur die een roos in haar hand houdt. Talloze vogels omringen het medaillon en het mozaïek laat zien dat de regio in die tijd zeer rijk is aan vogelsoorten.
Het daar gelegen Amik-meer, dat al jaren terug helemaal is opgedroogd, ligt in die tijd op de vogeltrekroute en deze afbeelding geeft dan ook een schat aan informatie over wat er zoal aan gevederde dieren loopt en overvliegt..
Een soort “Vroege Vogels” avant la lettre, zeg maar. 

De vogels vind je , als je goed kijkt, her en der in het gebouw terug. Zo vliegen op de wand in onze kamer de vogels boven het hoofdeinde van ons bed.
In het plafond van de lobby zijn de contouren van de dieren uitgesneden en in zuilen die op verschillende plaatsten staan, ligt een smalle band met diezelfde silhouetten verzonken. Holger gaat er eens goed voor zitten om dit leuke detail vast te leggen op de gevoelige plaat.


Ondanks de onvermijdelijke beschadigingen die de vloer door de tijd heen heeft opgelopen, is het toch ontzettend de moeite waard om deze smeltkroes van culturen in de vorm van dit mozaïek te bekijken.
Als hotelgasten hebben we voor het museum een passe partout, dus het zal vandaag wel de eerste maar zeker niet de laatste keer zijn dat we onszelf op dit moois trakteren.

Another day in paradise….

Als een ware madre familias staat ze fier rechtop te roeren in een enorme koperen ketel met Aşure, een heerlijke zoete soep. Medine is haar naam en voor mij kan ze vanaf het eerste moment dat we elkaar zien niet meer stuk. 

We bezoeken vandaag het dorp Gümüşlü Köyü waar Özgul en haar man Şahin een zelfgebouwd huis hebben, van waaruit je uitkijkt over hun abrikozenboomgaard, de bergen en de daarlangs stromende Eufraat. Er gaan geruchten dat hier in de buurt Het Hof van Eden moet zijn geweest en daar kan ik mij alles bij voorstellen.

Özgül is de zus van Mustafa Selçik, een goed vriend van ons uit Deventer die in een dorp iets verderop geboren en getogen is. In Deventer spreken we al af dat Holger en ik hem in Malatya komen bezoeken en dan samen met zijn familie naar het dorp gaan. 

Voordat we onze eindbestemming bereiken, passeren we de geboorteplek van Şahin en het is daar waar Medine de Aşure-soep bereid heeft. Als we arriveren zitten er al zo’n twintig mensen te smullen en natuurlijk moeten we aanschuiven om mee te eten. Het koken, eten en uitdelen van Aşure is een traditie die hoort bij de alevitische stroming van de islam en gebeurt op de tiende dag van de maand Muharram, de eerste maand van het nieuwe islamitische jaar waarin de alevieten ook hun vastenmaand hebben. Officieel begint het Aşure-feest dit jaar op 8 augustus jl maar doordat op dat moment iedereen druk is met de abrikozenoogst, is het gewoon een maand verschoven. Dit is zó kenmerkend voor de alevieten, die de islam heel ‘elastisch’ belijden. Zolang de intentie goed is, mag en kan er veel.

In Turkije is dit gerecht ook bekend onder de naam ‘het toetje van Noach’. Het verhaal gaat namelijk dat het gerecht ontstaat op de dag dat zijn ark strandt op de top van de Ararat en Noach met de zijnen de zondvloed overleeft. Op die ochtend, de tiende dag van de maand Muharram vergaart Noach de laatste resten van de voorraden, doet ze in één grote pan, kookt hiermee een maaltijd en zegent deze met de woorden Bismillah. 

Vandaag de dag zijn de gebruikte ingrediënten kikkererwten, volkoren granen, zwarte en gouden rozijnen, gedroogde vijgen, gedroogde abrikozen, dadels, hazelnoten, walnoten, amandelen en granaatappelpitten. Aşure is een soep met een romige basis van melk en suiker verdikt met maizena en op smaak gebracht met rozenwater, vanille en kaneel.

Als ik later nog even rondloop door het dorpje maak ik nog contact met Fatma, die drukdoende is met het wassen van de schaapswol, die nodig is om de dekbedden bij te vullen voordat de koude winter invalt. 

Ze zit heel ontspannen op haar hurken en kwijt zich met plezier van haar taak. Ik vind het altijd weer bijzonder om te zien hoe lenig en soepel mensen op leeftijd vaak nog zijn en ik vermoed dat de hurktoiletten en het vijf keer bidden per dag hier zeker van invloed op zijn. 

Op de valreep zie ik nog een kip met haar kuikens rondstappen die zich gemakkelijk op de foto laat vastleggen.

We rijden verder het dorp uit, naar het geweldige optrekje van Şahin en Özgül. De auto wordt uitgeladen en in no time zitten we met ons zevenen aan een verrukkelijke BBQ. Özge, de jongste dochter en Muharrem, een familielid van Mustafa zijn ook mee. 

Özgül en Şahin plukken uit hun moestuin wat komkommers, tomaten en paprika’s, bestemd voor de sla bij de şiş kebab en Adana kebab.

Mustafa is duidelijk de regisseur van de BBQ en de vaardigheid en liefde waarmee hij het vlees en gehakt gaart is overduidelijk te proeven. 

Het water voor de thee als afsluiting wordt gekookt op een houtkachel wat extra cachet én smaak aan de thee geeft.


Een groepsfoto als herinnering aan deze mooie dag kan natuurlijk niet uitblijven en omdat Mustafa de foto maakt, nog een foto van hem, samen met Holger. 

Voor Holger en mij was het opnieuw heel speciaal te ervaren hoe lief, gastvrij en warm onbekende mensen kunnen zijn op het moment dat je hen ontmoet. We voelden ons vanaf tel één zo welkom in deze familie en bij het afscheid lieten we vrienden voor het leven achter.
Dank lieve Mustafa, Özgü, Şahin, Özge en Muharrem voor deze onvergetelijke dag in het paradijs.

Görüşmek üzere!

Gewikkeld in doeken.

Als je de barre winters in Oost-Anatolië wilt overleven, moet je wel de nodige maatregelen treffen op een aantal punten. De provincies Bayburt en Erzurum, waar Holger en ik de afgelopen dagen verblijven, hebben op het gebied van textiel wat dat betreft een mooie traditie.

Als we afgelopen voorjaar in Istanbul de tentoonstelling “Türkiye Dokuma Atlası” bekijken waar alle traditionele stoffen van bijna alle Turkse provincies getoond worden, ben ik gelijk weg van de sinds 1850 handgemaakte weefsels van Bayburt en Erzurum, de zogenaamde ehram of ihram en we besluiten dan al om het komende najaar daar meer over te weten te komen.

In Bayburt vertelt een warme bakker op de hoek ons graag waar in de stad de nog enige ehram-weverij te vinden is. Hij legt de route er naartoe zo goed uit dat we een kwartiertje later inderdaad voor de deur van de betreffende werkplaats staan. Meer dan een huis is het eigenlijk niet maar als we het pand binnengaan is het duidelijk dat elke vierkante cm voor dit ambacht gebruikt wordt. 

In de gang worden we gelijk verrast door diverse strengen wol die aan de wanden hangen en in de ‘woonkamer’ staan vier speciale ehram-weefgetouwen.

De initiatiefneemster Sevim Ataner is samen met enkele weefsters en veel materiaal en producten afgereisd naar Istanbul waar momenteel de grote jaarlijkse textielbeurs gehouden wordt en er zijn slechts twee weefsters in Bayburt achtergebleven om een beetje op de winkel te passen. Dit betekent dat er eigenlijk niet heel veel te zien is maar Ülker, een goedlachse vrouw, vertelt ons toch graag wat over haar werk. 
Ze begint bij het begin, terwijl ze zichzelf op traditionele wijze in een van de paar aanwezige doeken wikkelt. 

De wol die voor ehram gebruikt wordt, is uitsluitend afkomstig uit de regio en van schapen die in de maand juni zijn grootgebracht. Waarom dat zo is, kan ze niet met zekerheid zeggen, maar ze vermoedt dat het met de structuur en zachtheid van de vachten te maken heeft.

De wol wordt gewassen en met een stok ‘geslagen’ om vervolgens een jaar te drogen worden gelegd in een goed geventileerde ruimte.

Alle kleuren wol worden gebruikt, want deze verraden iets over de leeftijd van de draagsters van de doeken. Hoe donkerder de basiskleur van het weefsel, hoe ouder de vrouw die erin zit. De bijna zwarte wol vertelt dat de betreffende vrouw een weduwe is. Ook de kleine gekleurde patroontjes die op het weefsel geborduurd zijn, hebben een betekenis, maar daar kan Ülker ons niet veel over melden.
Na het drogen kammen ze de wol met ijzeren kammen los waardoor luchtige, pluizige strengen ontstaan.

Daarna begint het spinnen van de wol tot een ongelooflijk dunne draad en matteert men het met een bepaalde meelsoort. En dan kan het weefproces van start gaan.
Als ik het zo schrijf, lijkt het allemaal een fluitje van een cent, maar niets is minder waar. 
Als uiteindelijk de doek met de vaste maten van 1,5 bij 2 meter van het weefgetouw af rolt, is er zo’n 2,5 kilo wol verwerkt, veel handwerk verricht en geruime tijd verstreken. 
Niets gaat machinaal, er worden geen onnatuurlijke toevoegingen gedaan en ook het verven van de garens die voor de doekranden en motieven gebruikt worden gebeurt met alleen maar verfstoffen van planten die groeien en bloeien in de regio. De hiermee ontstane kleuren zijn overigens van een ongekende intensiteit en schoonheid.

Als we op het punt staan te vertrekken, na beide vrouwen uitvoerig bedankt te hebben voor het delen van hun vakmanschap en wijsheid, word ik op de valreep nog in de doek, waar eerder Ülker nog in zat, gewikkeld. Ik ben te lang om erin te verdwijnen zoals eigenlijk de bedoeling is, dus mijn hoofd blijft onbedekt. 

Toch besluiten we ‘m mee naar Deventer te nemen. Er is vast wel een kort jasje van te maken en het is hoe dan ook een mooie herinnering aan een mooi bezoek. 

In Erzurum bezoeken we vandaag nog op goed geluk het ‘Erzurum Olgunlaşma Enstitüsü’, wat je zou kunnen omschrijven als een leerwerkplaats voor vrouwen die zich toe willen leggen op het Ehram-weven. Het is een imposant gebouw met een glazen en smeedijzeren toegangsdeur en een enorm trappenhuis.

We krijgen toestemming van de directeur zelf om onder begeleiding van Sedef Yeni de praktijklokalen te bekijken. 

Helaas zijn er vandaag toelatingsexamens voor nieuwe cursisten en door een deur die open staat zien we inderdaad vrouwen bezig met het kaarden en spinnen van wol onder de kritische blikken van een aantal docenten. 
Dit betekent dat er momenteel geen lessen zijn maar wel zien we de wol, weefgetouwen en allerlei benodigde gereedschappen liggen en hangen, die we inmiddels al kennen van ons bezoek aan de weverij eerder deze week.

Nieuw is een oud boek waarin vermeld staat welke patronen bij het ehram-weven gebruikt moeten worden bij welke kleur wol en een korte omschrijving van wat de abstract ogende figuren voorstellen. 

Later kopen we bij een klein winkeltje nog een Erzurum-doek, zodat we beide steden vertegenwoordigd hebben. Met de winters die we tegenwoordig in Nederland hebben zullen ze niet dienen als overlevingsmiddel maar wie weet zitten we komende winter wel zonder gas. Dan hebben Holger en ik beiden in ieder geval een heerlijk warme doek om ons in te wikkelen. 

Als we de volgende ochtend wegrijden richten Bingöl, krijg ik nog een mooie aanvulling cadeau op dit blog.
Op de hoek van de straat zit een vrouw in een ehram-doek, met zelfs haar hoofd erin verborgen. Dit is nu van ouds her dé manier om deze doek te dragen, horen we al eerder in Bayburt.

De vrouw oogt oud, maar gezien het feit dat ze, zoals dat hier genoemd wordt, de ‘koffie-met-melk-kleur’ draagt, is zij redelijk jong en moeder van nog kleine kinderen. Ze bedelt. Ik stop haar wat geld toe en knoop een praatje met haar aan over de ehram-stof, waar ik fan van ben.
Als ik vraag of ik daarom een foto van haar mag maken als herinnering aan Erzurum, geeft ze van harte haar toestemming. Wat is het toch een groot voorrecht de taal te spreken als je in den vreemde vertoeft.

Werkelijkheid wordt droom.

Nadat we zondag als start van onze reis een heerlijke rustdag hebben aan het haventje van Araklı, een plaatsje onder de rook van Trabzon aan de Zwarte Zee, gaan we maandagochtend vroeg richting Bayburt, met Baksı Museum als eindbestemming. Een ware oase van stilte, verborgen in de bergen en waar natuur en cultuur geruisloos in elkaar overlopen.

We kennen de plek inmiddels en het voelt vertrouwd als we de parkeerplaats oprijden. Onze kamer is een schoolvoorbeeld van ‘A room with a view’ en de verrassing is helemaal compleet als aan het eind van de middag blijkt dat Hüsamettin Koçan de komende dagen ook hier verblijft.
Hüsamettin is beeldend kunstenaar, universitair hoofddocent en oprichter van dit museum dat op steenworp afstand staat van Bayraktar, het boerengehucht waar Hüsamettin geboren en getogen is. Met de bouw van dit museum realiseert hij geen droom maar maakt hij van de werkelijkheid een droom.

Het onthaal is hartelijk, alsof we elkaar al jaren kennen en om deze man aan tafel te hebben tijdens diner en ontbijt is bepaald geen straf.
Holger en hij wisselen wat ideeën uit met betrekking tot het organiseren van ‘summerschools’ voor buitenlandse kunstenaars. Wie weet kunnen we iets opzetten vanuit Deventer als pilot voor dit plan. We houden in ieder geval contact.

De huidige expositie in het museum heeft als titel “GÖZLEM EVI” en het werk is van Osman Dinç. Het is pas de vierde tentoonstelling in Baksı, wat, naast corona, mede komt doordat Koçan nogal selectief is in het uitnodigen van kunstenaars om in ‘zijn’ museum te exposeren. De filosofie en het werk van de exposant moet passen in de fysieke omgeving van het museum maar ook in de cultuur van de provincie Bayburt.

Dinç werkt met ijzer, messing, brons, steen en glas en zijn objecten en installaties stralen stilte en sereniteit uit.
Zijn uitgangspunt bestaat uit eenvoudige en herkenbare vormen, zoals cypressen, boten, spintollen, planeten enz.
Bijna alle werken vinden hun kracht in de strakke vormen maar zeker ook in de herhaling van die vormen.

Wave

Bilateria

Seven Masks

Maar niet alle werken zijn van groot formaat en bestaan uit herhalingen. ‘Winter’ bijvoorbeeld, een huisje met een cypres in een sneeuwlandschap, geeft denk ik erg goed weer hoe verlaten en geïsoleerd het platteland in dit deel van Turkije voor de bewoners kan voelen, als de dagen kort zijn en de sneeuw gevallen is. Ondanks dat het een relatief klein werk is, heeft het toch veel te vertellen aan de toeschouwer.

Winter

Het eenzame mensfiguurtje, balancerend op een stuk steen, vind ik op de een of andere manier heel ontroerend, ondanks de harde materialen waarvan het gemaakt is. Overigens doet het figuurtje even later dienst als een soort aalscholver, zittend op de uitkijk.

Idée Fixe

Hüsamettin Koçan omschrijft Osman Dinç als de filosoof van de stilte en dat is goed merkbaar als je door, om en langs zijn werk wandelt. Dat juist hij is uitgenodigd om in Baksı Museum te exposeren behoeft geen uitleg als je de tentoonstelling binnenstapt en eigenlijk was dat drie jaar geleden ook al het geval met ‘Familiair’ van Şakir Gökçebağ.

We kunnen dan ook niet wachten op ons volgend bezoek aan deze voor de buitenwereld verborgen parel in de bergen.